Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes tobaica
Nepenthes tobaica
De gewone bekerplant van het hoogland rond het Tobameer, het grote kratermeer van Noord-Sumatra. De Nederlandse tuinbouwkundige Johannes Elias Teijsmann verzamelde haar al op 8 februari 1856 in de Bataklanden, maar pas in 1928 beschreef B.H. Danser haar als Nepenthes tobaica, in zijn grote overzicht van de Nepenthaceae van Nederlands-Indië. Het is een onopvallende, slanke soort met kleine, lichtgroene tot rood getekende bekers, die gedijt waar het oorspronkelijke bos verstoord is: langs bosranden, in struikgewas van oude ontginningen, en rond het meer plaatselijk in grote aantallen.




Herkenning
Een slanke klimplant tot ongeveer 5 m, met een dunne, meestal licht zigzaggende stengel van 1,5 tot 4 mm en duidelijke okselknoppen. De stengel is kaal, op opvallende plukjes witte haren in de bladoksels na. De bladeren zijn leerachtig, ongesteeld, vaak teruggebogen, smal elliptisch tot omgekeerd lancetvormig, 5,5 tot 14 cm lang en tot 2 cm breed. De onderbekers zijn onderaan ellipsoïde en naar boven cilindrisch, rond 8,5 cm hoog en 2,7 cm breed, met twee gefranjerde vleugels tot 5 mm en een dun, rond peristoom van 0,5 tot 1,2 mm. De bovenbekers zijn 6 tot 10 cm lang (tot 13 cm), onderaan 1,3 tot 2,2 cm breed, in het midden iets ingesnoerd en naar de mond weer verwijd. Het spoortje is ongedeeld, of twee- of driepuntig. De kleur is lichtgroen of geelgroen met rode delen, zelden geheel rood of geheel groen; sommige planten hebben een felrode onderkant van het deksel.
Gelijkende soorten
Nepenthes mikei is donkerder, bijna zwart, heeft smallere bladschijven, een korte bloeiwijze met eenbloemige steeltjes en een in meerdere draden gesplitst spoortje. N. angasanensis vormt ondergrondse uitlopers. N. gracilis en N. reinwardtiana uit het laagland hebben andere bekervormen, en N. reinwardtiana heeft de kenmerkende oogvlekken in de bovenbekers. N. adnata uit West-Sumatra lijkt op N. tobaica maar verschilt in stengel en bladschijf. N. gymnamphora heeft een breed, geribbeld peristoom met duidelijke tanden.
De val en hoe hij werkt
Een kleine buisval met een smal peristoom. De onderbekers vangen in het strooisel vooral mieren en andere lopende dieren; de bovenbekers, die in de zon aan de bosrand hangen, vangen ook vliegende insecten. Nectarklieren op de rand en onder het deksel lokken de prooi; de felrode onderkant van het deksel bij sommige planten maakt die klieren extra opvallend. De bekervloeistof herbergt een rijke infauna van kleine waterdieren; een mijt, Creutzeria tobaica, is naar deze soort genoemd en werd uit haar bekers beschreven.
Standplaats en ecologie
Bosranden, open bergbos en struikgewas (B5, B1), vaak tussen Leptospermum en Rhodomyrtus en in de struiklaag van oude ontginningen; ook in veenmoerasbos op grote hoogte (B4). Volgens Cheek & Jebb (2001) tussen 950 en 2750 m; Clarke (2001) noemt vindplaatsen vanaf 380 m. De soort groeit op de grond en is een van de weinige in deze groep die duidelijk van verstoring profiteert: waar het bos gekapt of afgebrand is en struikgewas terugkomt, kan ze talrijk worden.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra. Het kerngebied ligt in het noorden, van de Gayolanden in Aceh tot rond Tarutung ten zuiden van het Tobameer; Cheek & Jebb (2001) geven de reeks van het Tobameer tot de Gunung Leuser. Later zijn ook populaties gevonden rond de Gunung Sorik Marapi en bij het Kerincimeer in Jambi, ver ten zuiden van het hoofdgebied. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven, maar de kleur varieert sterk: van geheel groene tot vrijwel geheel rode bekers, en planten met een rood deksel naast andere met een groen. Ook het spoortje wisselt van ongedeeld tot drietandig. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. ampullaria, N. reinwardtiana, N. rhombicaulis, N. spathulata en N. spectabilis. Door haar grote hoogteamplitude komt de soort met zowel laagland- als hooglandsoorten in contact.
Waar en wanneer te zien
De oevers en hellingen rond het Tobameer zijn de gemakkelijkste plek: kijk langs wegbermen en in het struikgewas van oude ontginningen, waar de soort vaak in aantallen staat. De bekers zijn klein en hangen tussen het lage struikgewas; de witte haarplukjes in de bladoksels en de zigzaggende stengel helpen bij het herkennen. Wie de mijt Creutzeria tobaica wil zien, heeft een loep nodig: de dieren leven in de bekervloeistof.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern, beoordeling uit 2018): de soort is wijdverbreid, rond het Tobameer zeer talrijk, en profiteert van verstoorde vegetatie. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Op plaatsen waar struikgewas wordt omgezet in landbouwgrond of plantages verdwijnen populaties, maar zolang er bosranden en braakliggende hellingen zijn, is de soort niet bedreigd.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes tobaica | Danser, 1928
Beschreven door B.H. Danser in 1928, in "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg, serie III, deel 9, nr. 3-4, p. 249-438). Lectotype verzameld door Johannes Elias Teijsmann op 8 februari 1856, vermoedelijk in de Batak-streken van Sumatra (exemplaar H.L.B. 908,155-1106); het lectotype werd pas in 1997 formeel aangewezen door Jebb & Cheek. Geen precieze coördinaten bekend. De soort komt voor van het Gayo-gebied (Aceh) tot Tarutung, op 380-1800 m hoogte. Vernoemd naar het Toba-meer, Sumatra, waar de plant bijzonder algemeen voorkomt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.