Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes papuana
Nepenthes papuana
Een slanke klimplant van bosranden in het laag- en heuvelland van Papoea, met kleine, rood gevlekte bekers. Nepenthes papuana is genoemd naar Papoea, een oude naam voor het eiland Nieuw-Guinea. De eerste planten werden in oktober 1909 verzameld door L. S. A. M. von Römer, op een heuvel in het noordelijke deel van de Noordrivier; later volgden verzamelingen van Kloss tijdens de Wollaston-expeditie en van Docters van Leeuwen in 1926. Ridley hield materiaal van deze soort in 1916 nog voor de mannelijke plant van Nepenthes neoguineensis. Pas Danser erkende in 1928, op grond van volledig bloeimateriaal, dat het om een aparte soort ging.


Herkenning
Een klimplant van enkele meters, met ronde stengels van een halve centimeter dik. De bladeren zijn dun leerachtig, zittend of zwak gesteeld, lancetvormig tot smal elliptisch, 15 tot 30 cm lang en 2,5 tot 5 cm breed. De middennerf is aan de onderkant dicht en kort bruin behaard, en de bladrand draagt een dichte rand van bruine fluweelharen; de stengel is kaal. De onderbekers zijn klein, scheef eivormig en naar de mond versmald, 3 tot 6 cm hoog, met twee gefranjerde vleugels en een rond peristoom van 1 tot 2 mm. De bovenbekers zijn bijna cilindrisch, in het onderste derde licht opgezwollen en daarboven buisvormig, 12 tot 15 cm hoog en 2,5 tot 3 cm breed, met een iets afgeplat peristoom met duidelijke tanden aan de binnenrand. Het deksel is bijna rond en draagt geen aanhangsels. Gedroogde planten worden kenmerkend roodbruin.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Nepenthes neoguineensis, die vegetatief zo op deze soort lijkt dat Danser schreef dat alleen volledige kennis van de bloeiwijzen hem ertoe bracht een nieuwe soort te benoemen. Nepenthes papuana heeft een trosvormige bloeiwijze met meestal eenbloemige steeltjes, waar Nepenthes neoguineensis een pluim of pluimachtige tros met tot vier bloemen per steeltje heeft. Verder heeft Nepenthes papuana duidelijke lengtenerven en onduidelijke zijnerven in het blad (bij de verwant omgekeerd), veel dichter behaarde bladranden en minder ontwikkelde vleugels aan de bovenbekers. De Flora Malesiana wijst ook op gelijkenis met Nepenthes mirabilis, die echter dikker blad en andere bekers heeft.
De val en hoe hij werkt
Een bescheiden bekerval met twee duidelijke vormen. De kleine onderbekers liggen vaak half weggezakt in mos aan de voet van de plant en vangen daar kruipende dieren; de gefranjerde vleugels werken als loopplank naar de mond. De bovenbekers zijn smal en buisvormig en hangen vrij in de vegetatie aan de bosrand, waar ze vooral vliegende insecten vangen. Het peristoom is smal maar draagt duidelijke tanden aan de binnenrand, die het terugklimmen bemoeilijken. Onder het deksel liggen kleine nectarklieren; onderin zit verteringsvloeistof. Specifiek prooionderzoek is in de geraadpleegde literatuur niet gevonden.
Standplaats en ecologie
Bosranden en bos op wit zand, in blootgestelde, lichte situaties, op ongeveer 250 tot 900 m hoogte volgens de Flora Malesiana; andere overzichten geven een bereik van zeeniveau tot 1300 m (B5, B3). De plant klimt aan de rand van het bos naar het licht, terwijl de onderbekers in de moslaag aan de voet liggen. Bos op wit zand is in Nieuw-Guinea, net als het kerangas van Borneo, uitzonderlijk voedselarm: het zand houdt weinig voedingsstoffen vast en regenwater spoelt ze snel weg.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het Indonesische deel van Nieuw-Guinea (provincie Papoea), aan zowel de noord- als de zuidkant van het centrale gebergte. De Flora Malesiana beschrijft het gebied als zuidelijk Papoea, van de streek rond Fakfak tot de Baliemvallei; oudere verzamelingen komen ook van de noordkant. Onze eigen soortenlijst noemt 'Nieuw-Guinea', wat klopt, al is uit het oostelijke, Papoea-Nieuw-Guinese deel van het eiland in de geraadpleegde bronnen geen vondst gemeld. De soort komt samen voor met Nepenthes ampullaria, Nepenthes insignis, Nepenthes maxima en Nepenthes mirabilis.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Natuurlijke hybriden met Nepenthes paniculata worden vermoed. De kleurverschillen tussen de bekertypen zijn duidelijk: onderbekers zijn meestal geheel roodachtig, met rode vlekken aan de binnenkant, terwijl bovenbekers meestal groen zijn met rood gevlekte mond en deksel, maar ook roodachtig kunnen zijn. Planten in volle zon aan de bosrand kleuren doorgaans sterker dan planten in de schaduw. In herbariummateriaal is de soort vaak te herkennen aan de karakteristieke roodbruine kleur na het drogen.
Waar en wanneer te zien
Zoek langs bosranden en open plekken in het heuvelland, liefst waar de bodem zandig en wit is. De bovenbekers zijn smal en groen en vallen tussen het blad weinig op; let eerder op de rood gevlekte mond en het deksel. Onderbekers vind je door aan de voet van klimmende planten in de moslaag te kijken. Omdat de soort op meerdere plaatsen samen met andere kannenplanten groeit, is het nuttig de behaarde bladrand te controleren. Het gebied is afgelegen en vereist in het binnenland van Papoea vergunningen en lokale begeleiding.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De soort heeft een ruime verspreiding in het Indonesische deel van Nieuw-Guinea, aan beide zijden van het centrale gebergte, en groeit op bosranden die van nature telkens opnieuw ontstaan. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Specifieke bedreigingen worden in de geraadpleegde bronnen niet genoemd; de algemene bedreigingen voor het laag- en heuvellandbos van Nieuw-Guinea, zoals houtkap en ontginning, gelden ook hier.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes papuana | Danser, 1928
Nepenthes papuana werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg), op basis van materiaal (Docters van Leeuwen 10340 en 10341, met respectievelijk mannelijk en vrouwelijk bloemmateriaal) dat Willem Marius Docters van Leeuwen in september 1926 verzamelde. De oever van zijrivier C van de Rouffaerrivier, op 250-300 m hoogte, wat nu de provincie Papoea, Indonesië, is. De naam is afgeleid van Papoea, een alternatieve naam voor het eiland Nieuw-Guinea, waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.