Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes insignis
Nepenthes insignis
Een kannenplant van de boomkronen van het laaglandregenwoud van Papoea, met grote, stevige trechters en een peristoom dat aan de zijkanten tot drie centimeter breed wordt. Nepenthes insignis — 'de opvallende' — werd in 1928 door B. H. Danser beschreven, uitsluitend op grond van herbariummateriaal. Het eerste bekende exemplaar was in november 1912 verzameld door de Nederlandse botanicus August Pulle aan de oever van de Beaufortrivier. Daarna bleef de soort decennialang vrijwel onbekend, tot vier onderzoekers haar in 1994 bewust in het wild terugvonden en in 1995 over hun waarnemingen publiceerden.

Herkenning
Een epifytische struik of klimplant van ongeveer 80 cm, met driekantige stengels van een halve tot bijna een centimeter dik. De bladeren zijn dun leerachtig en zittend, 20 tot 35 cm lang en 4 tot 6 cm breed, en de bladvoet loopt in twee vleugels langs de stengel af. Stengels en bladeren zijn onbehaard. De onderbekers zijn onderaan eivormig en naar boven cilindrisch, tot 16 cm hoog en 5 cm breed, met een verbreed peristoom van 6 tot 12 mm. De bovenbekers zijn stevig en trechtervormig, aan de voet scherp driehoekig in doorsnede, 16 tot 30 cm hoog en 5 tot 8 cm breed. Het peristoom is aan de zijkanten het breedst, tot 3,5 cm. Het deksel is bijna rond, tot 7,5 cm, zonder aanhangsels. De bekers zijn in de onderste helft donkergroen, daarboven geel met diep rode vlekken, en het peristoom is roodbruin.
Gelijkende soorten
Tot 2018 werden ook de planten van het eiland Biak tot deze soort gerekend; die zijn nu beschreven als Nepenthes biak, met cilindrische bovenbekers en een peristoom met stijve, puntige lobben. Binnen de groep van de Insignes, waartoe de soort behoort, lijkt ze op Nepenthes sibuyanensis uit de Filipijnen, maar die heeft eenbloemige bloemsteeltjes, een bijna horizontale mond, een korte hals en veel grotere tanden aan het peristoom. In Papoea zelf groeit de soort vaak samen met Nepenthes ampullaria en Nepenthes maxima; de eerste heeft kleine, ronde grondbekers, de tweede slanke cilindrische bekers met een smal peristoom.
De val en hoe hij werkt
Een grote bekerval die opvallend gespecialiseerd lijkt in één soort prooi. Waarnemingen in het veld melden dat de vangst vrijwel geheel bestaat uit grote, gevleugelde kakkerlakken, nachtactieve insecten die door een geur van de plant zouden worden aangetrokken. Het brede peristoom, dat aan de zijkanten tot drie centimeter breed wordt, biedt die grote insecten een ruim landingsplatform dat nat en glad wordt; eenmaal in de beker vallen ze in de verteringsvloeistof. De binnenwand draagt veel verteringsklieren, in de bovenbekers tot enkele duizenden per vierkante centimeter. Het verschil tussen onder- en bovenbekers is bij deze soort vooral een kwestie van vorm en kleur: donkerder en bolder onder, geelgroener en trechtervormig boven.
Standplaats en ecologie
Het kronendak van altijdgroen laaglandregenwoud, waar de plant als epifyt in dikke moslagen groeit, vooral in bomen die over rivieren hangen; zelden terrestrisch op rivieroevers en zandbanken, op 80 tot 850 m hoogte (B2, W7). De luchtvochtigheid is op deze plekken voortdurend hoog. Een opvallende waarneming is dat de zaden van een plant bij een kleine waterval al in de vruchtdoos kiemden. Die voorkeur voor epifytische standplaatsen hoog in bomen verklaart ook waarom de soort zo lang aan de aandacht van botanici ontsnapte.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het westelijke, Indonesische deel van Nieuw-Guinea (provincies Papoea en West-Papoea), met vondsten uit het zuidwesten, het noordwesten en de laagvlakte rond de grote meren en rivieren van het binnenland, en enkele eilanden in de Cenderawasih-baai. Onze eigen soortenlijst noemt 'Nieuw-Guinea', wat klopt. De Flora Malesiana van 2001 rekende ook Biak tot het gebied, maar die planten worden sinds 2018 als Nepenthes biak behandeld; Nepenthes insignis in strikte zin geldt nu als soort van het vasteland van Nieuw-Guinea.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Er is één natuurlijke hybride vastgelegd, met Nepenthes mirabilis, op ongeveer 500 m hoogte. Hoewel de soort vaak samen met Nepenthes ampullaria en Nepenthes maxima groeit, zijn hybriden met die soorten niet bekend. De kleurverschillen zijn vooral die tussen onder- en bovenbekers: de onderbekers zijn meestal donkergroen met rode vlekken rond het donker roodbruine peristoom, de bovenbekers geelgroen met minder vlekken. De vroeger als 'Biak-vorm' bekende kleinere planten van de kust zijn nu een eigen soort.
Waar en wanneer te zien
Het leefgebied ligt in afgelegen laagland van Papoea, meestal alleen per boot of vliegtuigje bereikbaar, en de planten groeien vaak hoog in bomen boven het water. De beste kans heb je langs rivieren, vanaf de boot: kijk naar bemoste takken die over het water hangen en naar grote gele trechters met een brede, roodbruine rand. Een verrekijker is onmisbaar. Op zandbanken en oevers groeien soms terrestrische planten binnen bereik. Reis alleen met lokale begeleiding en met de benodigde vergunningen voor het binnenland van Papoea.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). Het verspreidingsgebied in het laagland van Papoea is groot en grotendeels onontgonnen, en de epifytische groeiwijze hoog in bomen maakt de planten moeilijk bereikbaar voor verzamelaars. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Houtkap, aanleg van plantages en ontginning van het laaglandbos van Nieuw-Guinea zijn algemene bedreigingen op de lange termijn. De afsplitsing van Nepenthes biak verandert de beoordeling voor het vasteland vermoedelijk weinig.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes insignis | Danser, 1928
Nepenthes insignis werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg). Het typemateriaal (Pulle 277, met mannelijke bloemdelen) werd op 9 november 1912 verzameld door August Adriaan Pulle aan de oever van de Beaufortrivier, zuidwest-Nieuw-Guinea, op 80 m hoogte, en ligt in de Bogor Botanical Gardens (Java) en het Nationaal Herbarium Nederland (Leiden). De oever van de Beaufortrivier, zuidwest-Nieuw-Guinea, op 80 m hoogte. De naam komt van het Latijnse "insignis" ("opvallend, bijzonder") en verwijst naar de opmerkelijke kenmerken van deze plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.