Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes neoguineensis

Nepenthes neoguineensis

De kannenplant van de rivieren van Nieuw-Guinea: een hoge klimmer van grindbanken, oevers en bergkammen, verspreid over de hele lengte van het eiland. Nepenthes neoguineensis werd al in 1828 verzameld door Alexander Zipelius bij de Tritonbaai aan de zuidwestkust. Een herbariumnaam uit 1900, Nepenthes leptoptera, werd nooit geldig gepubliceerd; de soort werd pas in 1911 beschreven door John Muirhead Macfarlane, op basis van vrouwelijk materiaal dat Gerard Versteeg in 1907 had verzameld. De soort wordt beschouwd als een van de oorspronkelijkere leden van het geslacht, vanwege haar vertakte bloeiwijze.

Nepenthes neoguineensis
Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes neoguineensis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes neoguineensis — de bloem
De bloem · Foto: Alfindra Primaldhi — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een krachtige klimplant die tien meter of hoger in de vegetatie kan klimmen, met vierkantige stengels. De bladeren zijn papierachtig en gesteeld, smal omgekeerd lancetvormig, 15 tot 35 cm lang en meestal 2,5 tot 5 cm breed. De plant is vrijwel kaal, alleen in de bladoksels bruin viltig. De onderbekers zijn eivormig en naar de mond cilindrisch, tot 14 cm hoog en 4,5 cm breed, met opvallende gefranjerde vleugels tot een centimeter breed. De bovenbekers zijn bijna cilindrisch en over het grootste deel van hun lengte gebogen, tot 24 cm hoog en 5 cm breed, met gefranjerde vleugels die aan de voet van de beker het breedst zijn. Het deksel is bijna rond, tot 6 cm. De bloeiwijze is 35 tot 50 cm lang en draagt steeltjes die zich schermvormig in meerdere bloemen vertakken.

Gelijkende soorten

Volgens de Flora Malesiana zijn de gebogen bovenbekers met brede, gefranjerde vleugels die aan de voet het breedst zijn, samen met de schermvormig vertakte bloemsteeltjes, doorslaggevend voor de determinatie. De naaste verwanten in Nieuw-Guinea zijn Nepenthes papuana, die vegetatief sterk gelijkt maar een trosvormige bloeiwijze met meestal eenbloemige steeltjes en dichter behaarde bladranden heeft, en Nepenthes paniculata, met korte, geheel trechtervormige bovenbekers en een getand peristoom. Danser zag verwantschap met Nepenthes tomoriana van Sulawesi en Nepenthes distillatoria van Sri Lanka. In het veld is Nepenthes mirabilis de gewone verwarringssoort; die heeft rechtere bovenbekers zonder brede vleugels.

De val en hoe hij werkt

Twee duidelijk verschillende bekers. De onderbekers zijn gedrongen en staan op of vlak boven de grond, met brede, gefranjerde vleugels die als loopplank dienen voor mieren en andere lopende dieren. De bovenbekers hangen aan lange ranken en hebben een eigenaardige gebogen vorm; ook zij houden hun vleugels, die aan de voet het breedst zijn. Zoals bij het hele geslacht werkt het peristoom als glijbaan zodra het nat is, en lokken nectarklieren op de rand en onder het deksel insecten naar de mond. De binnenwand draagt enkele honderden verteringsklieren per vierkante centimeter. Specifiek prooionderzoek is in de geraadpleegde literatuur niet gevonden.

Standplaats en ecologie

Rivieroevers en grindbanken, bergkammen, zelden open grasland of verstoord bos, van zeeniveau tot 900 m en soms tot 1400 m (W7, B5, B2). De voorkeur voor rivieroevers en grindbanken is typerend: dat zijn open, lichte, steeds opnieuw verstoorde plaatsen met een schrale, doorlatende bodem, waar een hoge klimmer in de struiken naar het licht kan groeien. Op bergkammen vindt de soort vergelijkbare open omstandigheden. In gesloten laaglandbos groeit ze vooral aan de randen.

Verspreiding en hoogte

Verspreid over de hele lengte van Nieuw-Guinea, zowel in het Indonesische westen als in Papoea-Nieuw-Guinea, en daarnaast op de D'Entrecasteaux-eilanden voor de oostpunt; ze komt mogelijk ook voor op Misool. Onze eigen soortenlijst noemt 'Nieuw-Guinea', wat overeenkomt met de literatuur. Binnen het geslacht is dit een van de wijder verspreide soorten van het eiland, vooral in het laagland en de heuvels. Van de Molukken of Australië is de soort niet bekend.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 10 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Waar de gebieden overlappen, vormt de soort natuurlijke hybriden met Nepenthes ampullaria en Nepenthes maxima; die hybriden staan doorgaans tussen de oudersoorten in. De kleur varieert vooral tussen de bekertypen: onderbekers van lichtgroen tot geheel donkerpaars, bovenbekers meestal geelgroen, vaak met een donkerder peristoom en een helderrood deksel. Die kleurcombinatie van de bovenbekers, samen met de gebogen vorm, maakt de soort in het veld goed herkenbaar.

Waar en wanneer te zien

Volg de rivieren. In het laagland van Papoea-Nieuw-Guinea en West-Nieuw-Guinea is de soort het gemakkelijkst te vinden op grindbanken en oevers, waar struikgewas groeit en de ranken van de plant vrij hangen. Kijk naar gebogen, geelgroene bekers met een rood deksel, en zoek op de grond onder de struiken naar de gedrongen, gevleugelde onderbekers. Bergkammen met laag struweel zijn een tweede goede zoekplek. Omdat de soort met Nepenthes ampullaria en Nepenthes maxima kan kruisen, is het nuttig tussenvormen op te merken.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De soort heeft een groot verspreidingsgebied over het hele eiland, groeit op natuurlijk dynamische plekken als rivieroevers en grindbanken, en verdraagt enige verstoring. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Specifieke bedreigingen worden in de geraadpleegde bronnen niet genoemd; plaatselijk kunnen grindwinning, mijnbouw en ontbossing langs rivieren populaties aantasten.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes neoguineensis | Macfarlane, 1910

Nepenthes neoguineensis werd in 1911 beschreven door John Muirhead Macfarlane, op basis van het exemplaar Versteeg 1746 (vrouwelijk plantmateriaal), in Nova Guinea 8(1): 339-341. Het typemateriaal werd op 25 september 1907 verzameld op een "Nepenthes-heuvel" in Nieuw-Guinea. Een "Nepenthes-heuvel" in Nieuw-Guinea; de soort komt breder voor over zowel Papoea-Nieuw-Guinea als West-Nieuw-Guinea, van zeeniveau tot 900 m, incidenteel tot 1400 m. De naam betekent "van Nieuw-Guinea" en verwijst naar het eiland waar de soort inheems is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.