Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes parvula

Nepenthes parvula

De kleinste Australische bekerplant werd pas in 2016 beschreven, tien jaar na Nepenthes tenax en in hetzelfde stroomgebied. Gary Wilson en Stuart Venter merkten dat een deel van de planten in de moerassen van de benedenloop van de Jardine-rivier op Kaap York consequent kleiner bleef, andere bekers had en rode dekselbodems, ook als ze naast N. tenax in de kas werden gekweekt. Zij noemden de soort Nepenthes parvula, ‘de kleine’. Volwassen planten zijn hooguit een halve meter hoog, en de bovenbekers zijn nauwelijks zes centimeter.

Nepenthes parvula
Foto: garywwilson — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een rechtopstaande halfstruik van 35 tot 50 cm hoog, met ronde stengels van 2,5 tot 5 mm dik, dicht bezet met witte enkelvoudige en donkere stervormige haartjes. De onderste bladeren zijn leerachtig, zittend en lijn-lancetvormig, slechts 10 tot 25 mm lang en 5 tot 10 mm breed; de bovenste bladeren zijn 30 tot 90 mm lang en 7 tot 14 mm breed en in doorsnede V-vormig, met een geknikte, soms opgerolde rank van 3 tot 6 cm. De onderbekers zijn eivormig, slechts 15 tot 30 mm lang en 5 tot 10 mm breed, met twee gefranjerde vleugels over de hele lengte; het peristoom is 0,4 tot 1,2 mm breed. De bovenbekers zijn cilindrisch, 35 tot 60 mm lang en 10 tot 15 mm breed, met een peristoom van 1 tot 2 mm en een bijna rond, gewelfd deksel van 10 tot 20 mm, waarvan de onderkant steeds dieprood is.

Gelijkende soorten

Nepenthes tenax is de naaste verwant en groeit in dezelfde streek. Volgens de beschrijving verschilt N. parvula door de kleine bovenbekers (35 tot 60 mm tegen tot 110 mm bij N. tenax), het rode deksel, dichter bezette nectarklieren, kleinere bloemen, kortere vruchten en de beperking tot permanent natte moerassen. N. mirabilis en N. rowaniae, de andere twee soorten van Kaap York, zijn klimmende of forse planten met veel grotere bekers en bladeren en zijn in het veld gemakkelijk te scheiden. In gekweekt materiaal blijven de verschillen met N. tenax behouden, wat de erkenning als aparte soort ondersteunt.

De val en hoe hij werkt

Een miniatuurvalkuil, maar met alle onderdelen van een grote. De onderbekers staan in een ‘rok’ rond de voet van de plant en vangen kruipende prooi; hun vleugels, met draadjes van 0,4 tot 1,2 mm, leiden mieren naar de mond. De bovenbekers staan hoger in de vegetatie; hun rode dekselbodem en de nectarklieren op het deksel lokken vliegende insecten. De klierdichtheid in de onderste helft van de beker is hoog: 900 tot 1200 per vierkante centimeter in de onderbekers en 1200 tot 1500 in de bovenbekers. Het peristoom is smal, met ribben 0,15 tot 0,4 mm uit elkaar. De vangst bestaat noodgedwongen uit kleine dieren: mieren, kleine vliegen en ander klein gedierte uit de moerasvegetatie.

Standplaats en ecologie

Uitsluitend zoetwatermoerassen in het stroomgebied van de benedenloop van de Jardine-rivier, van 0 tot 30 m hoogte (W6). De soort is beperkt tot één regionaal ecosysteemtype, begroeid palustrien moeras. Deze moerassen blijven permanent nat en branden daardoor niet mee met de omringende savanne; daardoor kan N. parvula zijn rok van onderbekers behouden. In de kweek bleek de soort gevoelig voor koude: in het droge seizoen, wanneer de nachttemperatuur naar 10 à 12 °C zakt, sterven planten af of terug.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Australië: Queensland, uiterste noorden van Kaap York, en daar alleen in zoetwatermoerassen in het stroomgebied van de benedenloop van de Jardine-rivier, van 0 tot 30 m. Het verspreidingsgebied is klein: volgens de beschrijvers niet meer dan 20 km², met een bezette oppervlakte van hooguit 5 km², maar met meer dan vijfduizend planten. Het is de vierde soort van Kaap York, naast N. mirabilis, N. rowaniae en N. tenax.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of vormen onderscheiden; de soort is pas kort bekend en is binnen zijn kleine areaal vrij eenvormig. Natuurlijke hybriden worden in de beschrijving niet genoemd, maar gezien het gemak waarmee N. tenax en N. mirabilis in dezelfde streek kruisen, zijn ze niet uit te sluiten. Wie planten met tussenvormen ziet, moet rekening houden met die mogelijkheid. De rode dekselbodem is het stabielste kenmerk: hij blijft ook in de kweek rood.

Waar en wanneer te zien

Het noorden van Kaap York is alleen in het droge seizoen (ongeveer juni tot oktober) over land bereikbaar. De soort staat in permanent natte moerassen in het stroomgebied van de Jardine; die zijn moeilijk begaanbaar en liggen voor een deel op land van traditionele eigenaren, zodat toestemming en een lokale gids nodig kunnen zijn. Kijk laag bij de grond: de hele plant komt nauwelijks boven de zegges uit, en de rode dekseltjes van de bovenbekers zijn vaak het eerste wat opvalt. Laat planten en zaad staan; illegaal verzamelen is een bekende bedreiging.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). De beschrijvers stelden in 2016 wel de categorie kwetsbaar voor, vanwege het kleine verspreidingsgebied, en noemden als bedreigingen illegaal verzamelen van zaad en planten en schade door verwilderde varkens. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist; in Australië zelf is het verzamelen van wilde planten bovendien wettelijk beperkt.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes parvula | Wilson & Venter, 2016

Nepenthes parvula werd in 2016 beschreven door Gary W. Wilson en S. Venter, in Phytotaxa 277(2): 199-204. Het schiereiland Cape York, Queensland, Australië. De naam is een Latijns verkleinwoord en verwijst naar de opvallend kleine afmetingen van volwassen planten van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.