Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes pantaronensis
Nepenthes pantaronensis
Het Pantaron-gebergte in het hart van Mindanao is een van de grootste nog min of meer aaneengesloten bosgebieden van de zuidelijke Filipijnen, en het is pas recent gericht op kannenplanten onderzocht. Veldwerk in 2012 leverde materiaal op waaruit in 2014 vier nieuwe soorten uit de bergen van centraal Mindanao werden beschreven, beschreven door een Duits-Filipijns team rond Thomas Gronemeyer en Victor Amoroso van de Central Mindanao University. Nepenthes pantaronensis is naar het gebergte zelf genoemd. Het is een soort die hoog in de bomen leeft, en daardoor lang aan de aandacht ontsnapte.

Herkenning
Een epifytische klimplant met stengels tot drie meter lang en bijna een centimeter dik. De bladeren zijn lijnvormig tot langwerpig, tot 28 cm lang en 5 cm breed, met aan elke kant van de middennerf slechts twee lengtenerven; aan de voet van de plant hebben ze een gegroefde bladsteel, aan de klimstengels een breed gevleugelde. De ranken worden tot 34 cm lang. De onderbekers zijn tot 35 cm hoog, met een onderste kwart tot derde dat meer of minder is opgezwollen, soms bolvormig; de vleugels zijn meestal tot richels teruggebracht. Het peristoom is afgeplat en tot 2,5 cm breed, rood met gele, oranje of paarse banden; het deksel is eirond, tot zeven centimeter lang en aan beide kanten felrood. De bovenbekers worden tot 40 cm lang, met een bolvormig onderste vijfde tot kwart en een peristoom van één tot twee centimeter; soms zijn ze geheel groen.
Gelijkende soorten
De beschrijvers vergelijken de soort met Nepenthes pulchra, die in hetzelfde deel van Mindanao voorkomt. Die heeft drie tot vier lengtenerven aan elke kant van de middennerf in plaats van twee, onderbekers met duidelijk gefranjerde vleugels in plaats van teruggebrachte, en een breed gevleugelde bladsteel ook aan de voet van de plant. Ook de groeiwijze verschilt: Nepenthes pulchra groeit strikt op de grond in open struweel, Nepenthes pantaronensis hoog in de bomen van het bergbos. Een bolle voet aan zowel onder- als bovenbekers, gecombineerd met een breed, gestreept peristoom, is voor deze soort kenmerkend.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil met een uitzonderlijk breed peristoom. Bij de onderbekers is de afgeplatte rand tot 2,5 cm breed en vormt zo een ruime, gladde 'landingsbaan' waarop insecten die de nectar komen halen hun grip verliezen. De bolle voet van de beker biedt ruimte aan veel vloeistof, waarin de prooi verdrinkt en wordt verteerd; het binnenoppervlak is wit tot lichtgeel-groen met paarsrode vlekken. Omdat de plant als epifyt leeft, hangen ook de 'onderbekers' vaak hoog boven de grond; ze vangen dan evengoed klimmende als vliegende dieren. Over de samenstelling van de prooi is niets gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Epifytisch op hoge bomen in lager bergbos (B1). De typecollectie komt van 1390 m; op een tweede berg groeit de soort op middelhoogte. Omdat ze hoog in de kronen staat, is ze vanaf de grond moeilijk te zien, en het is goed mogelijk dat ze in het gebergte algemener is dan de weinige waarnemingen doen vermoeden. Een hoogtebereik is niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft daarom leeg.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Mindanao, in de provincie Bukidnon: het Pantaron-gebergte en aangrenzende bergen. De beschrijvers noemen de typevindplaats op de berg Gaka en een tweede populatie op de berg Sumagaya, die iets noordelijker ligt. Het Pantaron-gebergte is het voorouderlijk gebied van inheemse volken als de Talaandig, de Manobo en de Higaonon, en een deel van het bos is voor hen van cultureel belang.
- Inheems
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven. De kleur varieert: het buitenoppervlak van de onderbekers is groenig of oranjerood gevlekt, de bovenbekers zijn vergelijkbaar gekleurd maar soms geheel groen. Het peristoom is doorgaans rood met gele, oranje of paarse banden. Natuurlijke hybriden worden in de beschrijving niet genoemd.
Waar en wanneer te zien
Een verrekijker is het belangrijkste hulpmiddel: zoek in het bergbos van centraal Mindanao langs de stammen en in de kronen naar hangende bekers met een bolle voet en een breed, gestreept peristoom. Omgevallen bomen en paden langs kammen bieden soms een blik op planten die anders onbereikbaar zijn. Het gebied is het land van inheemse gemeenschappen; toegang verloopt via lokale overheden en stamorganisaties, en respect voor hun regels is geen formaliteit.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). De beschrijvers stelden in 2014 nog gevoelig (Near Threatened) voor, maar merkten al op dat de soort op meer dan één berg voorkomt. Het Pantaron-gebergte heeft te lijden van houtkap en mijnbouw, en de bescherming van het gebied is een punt van actie van lokale en inheemse groepen. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes pantaronensis | Gieray, Gronemeyer, Wistuba, Marwinski, Micheler, Coritico & Amoroso, 2014
Nepenthes pantaronensis werd in 2014 beschreven door Angelika Gieray, Thomas Gronemeyer, Andreas Wistuba, Wolfram Marwinski, Volker Micheler, Franco Coritico en Victor B. Amoroso, in Plants 3(2): 284-303 — hetzelfde artikel als N. cornuta (golf 20). De ontdekking was al in september 2012 online aangekondigd onder een voorlopige naam. De Pantaron-bergketen en de berg Sumagaya, centraal Mindanao, Filipijnen, in laag- en hoogmontaan bos. De naam verwijst naar de Pantaron-bergketen, waar de soort werd ontdekt — dezelfde bergketen als N. cornuta (golf 20).
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.