Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes pilosa
Nepenthes pilosa
Een behaarde bergsoort uit het hart van Borneo met een merkwaardige geschiedenis: beschreven in 1928, en daarna bijna een eeuw lang verward met een andere plant. Nepenthes pilosa werd in 1899 verzameld door de Javaanse plantenverzamelaar Amdjah, die meereisde met de expeditie van Nieuwenhuis door Centraal-Borneo. Danser beschreef de soort in 1928 in zijn grote monografie van de Nederlands-Indische kannenplanten. Pas toen Charles Clarke in 2004 en 2006 de typelocatie bezocht, bleek dat vrijwel alles wat intussen onder deze naam bekendstond, tot een andere soort behoorde, die sindsdien Nepenthes chaniana heet. De echte pilosa is een zeldzame plant van één berggebied.

Herkenning
Een klimplant met een stengel tot ongeveer zeven meter lang. De bladeren zijn lancetvormig, tot 30 cm lang en 7,5 cm breed, met vier tot vijf nerven aan weerszijden van de hoofdnerf. Opvallend is de beharing: jonge delen en de onderzijde van de bladeren zijn dicht bezet met geelbruine haren, terwijl de bovenzijde van het blad kaal blijft. De onderbekers zijn klein, eivormig en naar boven cilindrisch, tot 10 cm hoog, met een plat peristoom tot 7 mm breed. De bovenbekers zijn trechtervormig, tot 18 cm hoog en 8 cm breed, met een breder peristoom tot 12 mm. Het belangrijkste kenmerk zit onder het deksel: bij de bovenbekers draagt dat aan de voet een opvallend haakvormig aanhangsel.
Gelijkende soorten
De soort waarmee N. pilosa het meest verward is, is Nepenthes chaniana uit Sabah en Sarawak. Beide zijn behaard en hebben een haakvormig aanhangsel onder het deksel. De bekers van N. pilosa zijn echter gedrongener, meer cilindrisch en ronder, en niet zo zijdelings samengedrukt als de lange, smalle bekers van N. chaniana. Nepenthes burbidgeae van Kinabalu heeft een vergelijkbaar dekselaanhangsel, maar is veel minder behaard. Binnen Borneo zijn dit de enige drie soorten met zo'n haakvormig aanhangsel, en ze worden alle tot het N. maxima-complex gerekend.
De val en hoe hij werkt
De bekers werken als valkuil. Nectar op het peristoom en onder het deksel lokt insecten; als het peristoom nat is, verliezen ze op de glad wordende ribbels hun houvast en vallen ze in de vloeistof onderin, waar klieren verteringsenzymen afscheiden en voedingsstoffen opnemen. Danser telde in de onderbekers zeshonderd tot zevenhonderd klieren per vierkante centimeter, in de bovenbekers twee- tot tweeënhalfduizend. De onderbekers staan in het mos en vangen vooral lopend gedierte, de bovenbekers hangen in de vegetatie. Over de prooisamenstelling van deze soort is niets gepubliceerd. In de bekervloeistof van veel Nepenthes-soorten leeft bovendien een eigen kleine levensgemeenschap van muggenlarven, mijten en andere dieren, die van de gevangen prooi meeleven; of dat ook bij deze soort zo is, is niet onderzocht.
Standplaats en ecologie
Bemost bergbos, nevelwoud op ongeveer 1600 tot 1700 m hoogte (B1). De grond is er zuur en arm, het bos laag en permanent vochtig, met dikke moslagen op stammen en takken. De plant klimt vanuit het mos op de grond de bomen in. Bij Clarke's bezoek werd de populatie op zo'n tweehonderd planten geschat; over de verdere ecologie is weinig bekend.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo en voor zover bekend beperkt tot het berggebied van Bukit Batu Lesung in Oost-Kalimantan, in het binnenland van het eiland. Een herbariumexemplaar uit 1925 van een naburige berg is twijfelachtig. De eigen soortenlijst vermeldt ruim 'Borneo'; dat klopt, maar het werkelijke gebied is veel kleiner dan die aanduiding doet vermoeden. Oudere opgaven uit Sabah en Sarawak, onder meer in Flora Malesiana, hebben betrekking op N. chaniana.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of kleurvormen beschreven, en gezien het kleine aantal bekende planten is ook weinig over variatie bekend. Natuurlijke hybriden zijn niet vastgesteld: kruisingen die in de oudere literatuur met Nepenthes lowii en Nepenthes veitchii werden genoemd, blijken bij nader inzien op N. chaniana te slaan of op een verkeerde determinatie te berusten. Kweekmateriaal dat onder de naam pilosa in omloop was, is vrijwel altijd N. chaniana.
Waar en wanneer te zien
Deze soort is in de praktijk voor vrijwel niemand bereikbaar: het berggebied ligt diep in het binnenland van Kalimantan, zonder wegen, en een tocht erheen vraagt een expeditie van dagen met plaatselijke gidsen. Wie toch gaat, doet er goed aan kennis te nemen van de beschrijving van Clarke, zodat de plant niet voor een andere behaarde soort wordt aangezien, en vindplaatsen niet openbaar te maken. Met zo'n kleine populatie telt elke verstoring.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat N. pilosa als onvoldoende bekend (Data Deficient, beoordeling 2014). Er is dus geen volledige risicobeoordeling mogelijk gebleken. Wat wel bekend is: de soort is van één berggebied bekend, de populatie is klein, en het gebied is afgelegen, wat de planten waarschijnlijk tegen verzamelaars beschermt maar ook onderzoek bemoeilijkt. Bosbrand en ontginning in het laagland van Kalimantan raken het nevelwoud niet direct, maar de omgeving verandert snel. De soort staat, zoals het hele geslacht, in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes pilosa | Danser, 1928
Nepenthes pilosa werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser, in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg). Het typemateriaal (Amdjah 491) werd op 28 januari 1899 verzameld op de berg Bukit Batu Lesung, nabij het centrum van Kalimantan, op ongeveer 1600 m hoogte, door de Javaanse plantenverzamelaar Amdjah, tijdens de Nieuwenhuis-expeditie. Bukit Batu Lesung, nabij het centrum van Kalimantan, Borneo, op ongeveer 1600 m hoogte — dezelfde berg als N. ephippiata (golf 21). De naam komt van het Latijnse "pilosus" ("harig") en verwijst naar de dichte beharing met lange, geelbruine haren die de plant kenmerkt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.