Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes reinwardtiana
Nepenthes reinwardtiana
De bekerplant met de 'ogen'. Aan de binnenkant van de bovenbekers van Nepenthes reinwardtiana zitten meestal twee donkere vlekken, scherp afgetekend tegen de blauwig berijpte wand, en aan dat kenmerk is de soort in het veld vrijwel altijd te herkennen. Friedrich Anton Wilhelm Miquel beschreef haar in 1852 en noemde haar naar Caspar Georg Carl Reinwardt, de stichter van de Plantentuin in Buitenzorg (Bogor). Anders dan de meeste soorten in deze groep is het geen smalle bergendemiet: ze komt voor op Sumatra en Borneo, van het veenmoerasbos aan zeeniveau tot op bergkammen boven de 2000 m.

Herkenning
Een struik of klimplant van 2 tot 8 m, soms tot 20 m, op de grond of epifytisch, met een driehoekige stengel van 3 tot 7,5 mm dik waarvan twee hoeken soms smal gevleugeld zijn. De bladeren zijn papierachtig, ongesteeld, smal elliptisch tot rechthoekig, 11 tot 25 cm lang en 1 tot 3 cm breed (soms 4,5 cm), met aan elke kant één tot drie lengtenerven; de hele plant is kaal. De onderbekers zijn ellipsoïde tot bijna cilindrisch, tot 11 cm hoog en 4 cm breed, met gefranjerde vleugels en een rond, nauwelijks geribbeld peristoom van 0,5 tot 1 mm. De bovenbekers zijn 9 tot 19,5 cm lang, zelden tot 31 cm, onderaan 3 tot 5 cm breed, in het midden ingesnoerd en naar de mond weer verwijd; de binnenwand is blauwig wasachtig, met meestal twee (zelden nul, één of drie) donkere oogvlekken net onder het peristoom. De kleur is lichtgroen, soms rood aangelopen of rood gevlekt; de bloemen zijn roodzwart.
Gelijkende soorten
Wordt vaak verward met Nepenthes gracilis, die in het laagland van Sumatra en Borneo op dezelfde plekken groeit. Die heeft vier tot zes paar lengtenerven in plaats van één tot drie, tanden aan de binnenkant van het peristoom in plaats van klierputjes, een hartvormige in plaats van rechte dekselvoet, en mist de oogvlekken. N. tobaica en N. murudensis zijn in het verleden als verwanten beschouwd, maar verschillen duidelijk in bekervorm en peristoom. Moleculair onderzoek plaatst N. reinwardtiana naast N. macrovulgaris, een soort van ultramafische bodem op Borneo.
De val en hoe hij werkt
De bovenbekers zijn trechtervormig met een opvallend blauwig berijpte binnenwand. Die wasachtige laag is zo glad dat insecten er geen houvast op vinden, en ze vormt de achtergrond waartegen de oogvlekken zo sterk afsteken. Waar die vlekken voor dienen, is niet opgehelderd; ze liggen op de plek waar insecten die de nectar van het peristoom volgen de beker binnen kijken. Het peristoom zelf is smal en vrijwel zonder ribben, met klierputjes aan de binnenrand; het deksel draagt talrijke kleine nectarklieren. De prooi belandt in een verteringsvloeistof onderin de beker.
Standplaats en ecologie
Opvallend breed: laaglandveenmoerasbos (B4), heidebos en bergkammen op zandsteen of kalksteen (B3), meer zelden nevelwoud (B1), en soms ultramafische bodem (R3), van zeeniveau tot 1450 m en plaatselijk tot 2100 m. De soort groeit vaak epifytisch en komt ook voor in secundaire vegetatie. Rode bekers zijn volgens Cheek & Jebb (2001) alleen bekend van planten op ultramafische grond, zandige heidegrond of podzol, waar de plant het meest aan licht en voedselarmoede is blootgesteld.
Verspreiding en hoogte
Sumatra en Borneo, met de kleinere eilanden eromheen: Bangka, de Natuna-eilanden, Nias en Siberut. Oude opgaven van het Maleisisch schiereiland en Singapore worden als onjuist beschouwd. Binnen Sumatra en Borneo is de soort wijd verspreid, maar niet overal algemeen; de hoogteverspreiding loopt van 0 tot 2100 m. De wereldchecklist geeft Borneo en Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er is één beschreven variëteit, N. reinwardtiana var. samarindaensis J.H.Adam & Wilcock (1993), uit Oost-Kalimantan; of die als aparte variëteit te onderscheiden is, wordt niet algemeen aanvaard. Daarnaast bestaat een groene en een rode kleurvorm, waarbij de rode aan de armste bodems gebonden lijkt. Het aantal oogvlekken varieert: sommige populaties hebben er één, drie of geen. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met negen andere soorten, waaronder N. albomarginata, N. ampullaria, N. fusca, N. gymnamphora en N. tobaica.
Waar en wanneer te zien
Door de brede ecologie is de soort op veel plekken te vinden: in het veenmoerasbos van het laagland en op heidegrond met open, lage vegetatie, maar ook op zandsteenkammen in het binnenland van Borneo. Kijk in de bovenbekers: de twee donkere vlekken tegen de blauwe wand zijn het zekerste kenmerk en onderscheiden haar direct van N. gracilis. In veenmoerasbos is laarzen of waadschoenen geen overbodige luxe; op bergkammen groeit de plant vaak epifytisch, zodat de bekers hoger hangen dan ooghoogte.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern): het verspreidingsgebied beslaat twee grote eilanden en een reeks kleinere, de hoogteamplitude is uitzonderlijk breed en de soort verdraagt secundaire vegetatie. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. De laaglandpopulaties lijden onder de omzetting van veenmoerasbos en heidebos in plantages en onder veenbranden; de berg- en epifytische populaties zijn minder kwetsbaar.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes reinwardtiana | Miquel, 1852
Nepenthes reinwardtiana werd in 1852 beschreven door Friedrich Anton Wilhelm Miquel. De soort is inheems in Borneo en Sumatra, plus enkele kleinere omliggende eilanden (Bangka, Natuna, Nias en Siberut); een precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden vastgesteld. De soortsnaam eert Caspar Georg Carl Reinwardt, dezelfde botanicus die zelf in 1824 N. gymnamphora en N. maxima (golf 23/26) beschreef — hier dus omgekeerd zelf geëerd door een andere auteur.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.