Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes gymnamphora

Nepenthes gymnamphora

De oudste naam in deze groep Sumatraanse en Javaanse bergsoorten, en tegelijk een van de lastigste. Nepenthes gymnamphora werd in 1824 gepubliceerd onder de naam van Reinwardt, door Nees von Esenbeck; de soortnaam komt van het Griekse gymnos (naakt) en amphoreus (kruik). Het is een slanke klimplant van het bergbos van Java en Sumatra, met kleine, vaak donker gevlekte bekers. Over de afbakening van de soort bestaat geen overeenstemming: sommige auteurs zien één zeer variabele soort op beide eilanden, andere beperken de naam tot Java en brengen de Sumatraanse planten onder in N. pectinata.

Nepenthes gymnamphora
Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes gymnamphora — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes gymnamphora — de standplaats
De standplaats · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant die in bosranden meters hoog door de vegetatie kan klimmen, met ronde, zelden iets hoekige stengels van 4 tot 7 mm dik. Rozetbladeren zijn klein, 3 tot 5 cm lang; de bladeren aan de klimstengel zijn smal elliptisch, meestal 23 tot 26 cm lang (10 tot 30 cm), met een bladsteel van 4 tot 5 cm en drie of vier lengtenerven aan elke kant. De bladrand is bij Sumatraanse planten vaak dicht en kort behaard. De onderbekers zijn ellipsoïde, 6 tot 11,5 cm hoog en tot 4,5 cm breed, met twee brede, gefranjerde vleugels van 5 tot 7 mm, een afgeplat, geribbeld peristoom van 6 tot 7 (tot 9) mm met duidelijke tanden, een eirond deksel van 3 tot 4 cm en een draadvormig spoortje. De bovenbekers zijn smaller en bijna cilindrisch, 6 tot 10 cm hoog (zelden tot 19 cm) en 1,7 tot 2,8 cm breed, met vleugels die tot richels zijn teruggebracht en een smal, rond peristoom van 1,5 tot 2 mm. De kleur is roodachtig groen tot paars, vaak met dichte donkere vlekken.

Gelijkende soorten

Het nauwst verwant is Nepenthes pectinata, die door Cheek & Jebb (2001) voor de Sumatraanse planten wordt gebruikt: die heeft bladeren die geleidelijker naar de voet versmallen en langs de stengel aflopen, een dicht behaarde bladrand en een over het geheel viltiger plant. N. xiphioides, in 1995 beschreven van Noord-Sumatra, is kleiner in alles: rozetbekers van 4 tot 5,5 cm tegen 8 tot 12 cm, twee of drie bladnerven tegen drie tot zes, kale bladranden, veel langere peristoomtanden en geen luchtbekers. N. mikei en N. tobaica hebben een veel smaller, draadvormig peristoom zonder duidelijke ribben.

De val en hoe hij werkt

Een kleine valkuil met een goed ontwikkeld peristoom. De onderbekers met hun brede, gefranjerde vleugels staan in het mos en vangen vooral lopende geleedpotigen, zoals mieren; de bovenbekers vangen ook vliegende insecten. De ribben van het peristoom, met hun tanden langs de binnenrand, worden bij vocht glad, en nectarklieren op het peristoom en onder het deksel lokken de prooi naar die rand. In de beker staat een verteringsvloeistof. De geringe omvang van de bekers wordt goedgemaakt door hun aantal: een plant draagt er tegelijk vele.

Standplaats en ecologie

Bergbos en nevelwoud (B1) over een opvallend brede hoogtezone, van ongeveer 600 tot 2800 m volgens Clarke (2001); de Javaanse planten in de beperkte opvatting groeien in bos tussen 1000 en 2750 m. De soort klimt door bosranden en langs open plekken, en groeit in de moslaag van bergkammen. Ze verdraagt enige verstoring en is langs paden en in de randen van open gekapt bos vaak te vinden.

Verspreiding en hoogte

Volgens de wereldchecklist op Java en Sumatra. In de ruime opvatting van Clarke (2001) is het een van de meest verbreide bergsoorten van beide eilanden. In de engere opvatting van Cheek & Jebb (2001) is de soort beperkt tot West- en Midden-Java, met één twijfelachtige opgave van Borneo, en heten de Sumatraanse planten N. pectinata. Deze gids volgt de wereldchecklist, die beide namen aanvaardt en N. gymnamphora zowel op Java als op Sumatra plaatst. Een onbeschreven taxon op de Gunung Sorik Marapi in Sumatra wordt bij deze groep genoemd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 16 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In het wild zijn geen formele variëteiten erkend, maar de variatie is groot en deels geografisch, wat de soortafgrenzing juist zo moeilijk maakt. Van Sumatra zijn veel natuurlijke hybriden gemeld: met N. bongso, N. mikei (informeel N. × pangulubauensis genoemd), N. ovata, N. reinwardtiana, N. rhombicaulis, N. singalana, N. spathulata, N. spectabilis en N. talangensis. Dat maakt haar tot een van de meest kruisende soorten van het Sumatraanse hoogland.

Waar en wanneer te zien

Op Java is de soort te zien op de goed begaanbare vulkanen in het westen van het eiland; op Sumatra is ze op veel bergen langs de Barisanketen te vinden. Kijk in de bosrand langs het pad naar kleine, gevlekte bekers met twee brede franjes; de onderbekers zitten vaak in het mos aan de voet van de plant. Wie de discussie over de afbakening wil volgen, noteert bladrand (behaard of niet), aantal bladnerven en de lengte van de peristoomtanden, en fotografeert zowel onder- als bovenbekers.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern): de soort komt over een groot gebied en een brede hoogtezone voor, en houdt stand langs bosranden en paden. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Omdat de afbakening van de soort nog betwist wordt, geldt de beoordeling voor de ruime opvatting; bij splitsing zouden de afzonderlijke delen opnieuw beoordeeld moeten worden. Bedreigingen zijn plaatselijk: ontginning van lagere berghellingen en vuur.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes gymnamphora | Reinwardt ex Nees, 1824

Nepenthes gymnamphora werd in 1824 beschreven door Caspar Georg Carl Reinwardt (gepubliceerd door Christian Gottfried Nees von Esenbeck). De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort komt voor op de Indonesische eilanden Java en Sumatra, op 600-2800 m hoogte. De naam is afgeleid van de Griekse woorden "gymnos" ("naakt") en "amphoreus" ("kruik, beker"), "naakte beker".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.