Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes singalana
Nepenthes singalana
Een bekerplant van de hoogste hellingen van de Sumatraanse vulkanen, genoemd naar de Gunung Singgalang in West-Sumatra. Odoardo Beccari beschreef Nepenthes singalana in 1886. Het is een soort van het koude, natte bovenste nevelwoud en van het struikgewas rond de toppen, tussen ongeveer 1900 en 2800 m: een gebied waar weinig andere planten van het geslacht zo hoog komen. In de literatuur is ze lang verward met verwanten; de naam N. junghuhnii wordt als synoniem beschouwd.



Herkenning
Een klimplant met onduidelijk vierkantige stengels van 3 tot 6 (zelden 7) mm dik en leden van 5 tot 13,5 cm. De bladeren van de klimstengel zijn smal langwerpig tot omgekeerd lancetvormig of spatelvormig, 7 tot 21 cm lang en 2 tot bijna 4 cm breed, met een naar de voet versmalde schijf. In de bladoksels zitten plukjes behaard weefsel met ster- en enkelvoudige haren, en op stengel en blad kleine rode kliertjes. De tussenbekers zijn slank, onderaan omgekeerd eivormig en in het bovenste deel vrijwel cilindrisch, 13 tot 18 cm hoog. De bovenbekers zijn meestal 10 tot 15 cm hoog (van 7 tot 20 cm) en 2,5 tot 4,5 cm breed in het onderste deel, met een smal, bijna rond peristoom. Ze zijn roodachtig groen met doffe bloedrode strepen, binnen bleekgroen met karmijnrode vlekken. Onderbekers zijn in de gebruikte flora niet beschreven, omdat het herbariummateriaal ze niet bevatte.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn Nepenthes diatas en N. spathulata, met dezelfde combinatie van onderaan buikige, bovenaan buisvormige bekers en een naar de voet versmalde bladschijf. N. diatas uit het noorden van Sumatra is forser en heeft een houtig, breed peristoom tot 15 mm, tegen het smalle, dunne peristoom van N. singalana. N. spathulata komt vooral zuidelijker op Sumatra voor en daarnaast op Java. N. izumiae lijkt op N. singalana, maar heeft vaak een kam onder het deksel, bredere bladschijven met blijvende randharen, en groeit meestal epifytisch. N. pectinata en N. gymnamphora hebben gefranjerde vleugels en een breder, sterk geribbeld peristoom.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil zoals bij alle Nepenthes: nectar op het peristoom en onder het deksel lokt insecten aan, de geribbelde rand wordt bij vocht spiegelglad, en wat in de beker valt, belandt in een verteringsvloeistof. De bekers van N. singalana zijn opvallend rijk aan infauna: muggenlarven en andere kleine waterdieren leven in de vloeistof en eten mee van de gevangen prooi, iets wat bij het naast groeiende N. aristolochioides met zijn stroperige vloeistof juist ontbreekt. De slanke bovenbekers hangen vrij in het struikgewas en vangen vooral vliegende insecten; de rode strepen en vlekken op de binnenwand versterken het contrast met de lichtgroene achtergrond.
Standplaats en ecologie
Bovenste bergnevelwoud en open struikgewas rond de toppen (B1, R5), van 1900 tot 2800 m. De vegetatie is laag, dicht en bemost, met veel ericaceeën, en staat een groot deel van de dag in de wolken; de nachten kunnen er koud zijn. De soort groeit terrestrisch in de moslaag en klimt door het lage struikgewas, en profiteert van de open plekken op bergkammen en rond kraters. Zoals bij andere hoogbergsoorten is de bodem een dunne, zure laag humus en mos op vulkanisch gesteente, arm aan stikstof.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra. Volgens Cheek & Jebb (2001) is het een van de wijdst verspreide bergsoorten van het eiland, van het Talakmau-massief (de oude Mount Ophir) in het westen van Sumatra zuidwaarts tot aan de Gunung Dempo in het zuiden. De typevindplaats is de Gunung Singgalang bij Bukittinggi. Hoogte: 1900 tot 2800 m; andere bronnen noemen 2000 tot 2900 m. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen in het wild beschreven. De kleur varieert tussen populaties en tussen planten in zon en schaduw, van overwegend groen tot sterk rood gestreept. N. singalana kruist op veel bergen met soorten die er samen voorkomen: natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. aristolochioides, N. bongso, N. gymnamphora en N. inermis, en onzeker met N. spathulata. Op bergen met meerdere soorten kunnen zulke tussenvormen het beeld van de 'pure' soort vertroebelen.
Waar en wanneer te zien
Zoek op de hoogste delen van de vulkanen van West-Sumatra, waar paden tot in het topgebied lopen. Onder de 1900 m kun je de soort vrijwel overslaan; boven die grens let je op slanke, rood gestreepte bekers die tussen het lage, bemoste struikgewas hangen. Het is koud en nat op die hoogte, en het weer slaat snel om: vertrek vroeg, want de ochtend is doorgaans het helderst. Door de vele kruisingen met naburige soorten is een plant met afwijkende bekervorm eerder een hybride dan een aparte soort.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern, volgens de beoordeling van Clarke uit 2018): de soort heeft een lang verspreidingsgebied langs de Barisanketen en groeit op grote hoogte, waar weinig ontginning plaatsvindt. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Risico's zijn plaatselijk: vuur rond de toppen, betreding langs populaire klimroutes, en verzamelen van planten.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes singalana | Beccari, 1886
Nepenthes singalana werd in 1886 beschreven door Odoardo Beccari. De berg Singgalang, West-Sumatra, Indonesië, op 2000-2900 m hoogte. De naam is afgeleid van de berg Singgalang, West-Sumatra, waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.