Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes bongso

Nepenthes bongso

Een van de eerste bekerplanten die uit Sumatra werden beschreven, en nog altijd een van de meest gezien soorten in het hooggebergte van het eiland. De Nederlandse natuuronderzoeker Pieter Willem Korthals publiceerde Nepenthes bongso in 1839 in zijn monografie Over het geslacht Nepenthes. De naam verwijst naar Putri Bungsu, de 'jongste dochter', die in de Minangkabause overlevering de beschermgeest van de vulkaan Marapi is. Het is een typische nevelwoudplant: slank, klimmend, met bekers die in de mistige bosrand vaak hoger hangen dan je verwacht.

Nepenthes bongso
Foto: Thomas Gronemeyer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes bongso — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes bongso — de standplaats
De standplaats · Foto: Thomas Gronemeyer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant met een stengel tot ongeveer vijf meter lang en hoogstens acht millimeter dik, rond tot hoekig, met leden tot 15 cm. De bladeren zijn leerachtig en ongesteeld, omgekeerd eirond tot spatelvormig, tot 20 cm lang en 5 cm breed, met randen die aan de voet bijna evenwijdig lopen; de rank is tot 30 cm lang. De onderbekers zijn ellipsoïde tot cilindrisch, tot 20 cm hoog en 7 cm breed, met twee gefranjerde vleugels langs de voorzijde en een breed peristoom tot 2 cm, bezet met smalle, duidelijke tanden. De bovenbekers zijn opvallend groter en anders van vorm: buisvormig onderaan en trechtervormig naar de mond toe, tot 35 cm hoog en 8 cm breed, met een veel smaller peristoom en een rond deksel. Kenmerkend voor het hele aspect is die slanke, hoge bovenbeker, ruim driemaal zo lang als breed. De kleur loopt van groen tot diep roodbruin, vaak met donkere vlekken en een rood of gestreept peristoom.

Gelijkende soorten

In het Sumatraanse hoogland staan meerdere soorten met slanke trechterbekers bij elkaar. Nepenthes talangensis en N. dubia hebben veel kortere, gedrongener bovenbekers (verhouding lengte tot breedte rond twee in plaats van ruim drie) en een ander deksel: breed eirond bij N. talangensis, smal wigvormig en ver teruggeslagen bij N. dubia. N. densiflora, lang voor een kruising van N. bongso met N. pectinata gehouden, heeft een dichtere, gedrongen bloeiwijze en bredere, rondere deksels. N. ovata deelt met N. bongso een kam of aanhangsel onder het deksel, maar heeft veel bollere onderbekers. De naam N. carunculata wordt door de meeste auteurs als synoniem van N. bongso behandeld.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil in twee uitvoeringen. De onderbekers staan in het mos en de strooisellaag en vangen vooral lopende dieren: mieren, kevers, pissebedden en andere kleine geleedpotigen, geleid langs de gefranjerde vleugels naar de mond. De lange bovenbekers hangen vrij in de vegetatie en vangen vooral vliegende insecten. Het lokmiddel is nectar, afgescheiden door klieren op het peristoom en de onderkant van het deksel; het geribbelde peristoom wordt bij vocht glad, zodat een insect dat erop landt of loopt zijn houvast verliest. Onder de mond zit een gladde, wasachtige zone waarlangs geen dier terug omhoog kan klimmen, en in het onderste deel van de beker staat een vloeistof met verteringsenzymen die de prooi afbreekt tot opneembare stikstof- en fosforverbindingen.

Standplaats en ecologie

Bergnevelwoud (B1): vochtig, koel bos tussen ongeveer 1000 en 2700 m, waar mos dik op takken en stammen ligt en de bewolking vrijwel dagelijks tussen de bomen hangt. De soort groeit er zowel op de grond, in de moslaag van open plekken en bergkammen, als epifytisch in de kronen van lage bomen. Ze profiteert van open plekken langs paden en bergruggen, waar meer licht doorvalt, maar verdraagt ook vrij gesloten bos. Zoals bij alle bekerplanten van het nevelwoud is de bodem zuur en arm, en het strooisel verteert langzaam in de koelte; de bekers vullen het tekort aan voedingsstoffen aan.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, waar de soort verspreid voorkomt in het Barisangebergte, het vulkanische ruggengraat van het eiland, over meerdere provincies. De naam verbindt de soort met de vulkaan Marapi in West-Sumatra; Clarke (2001) geeft haar op van bergen in meerdere provincies langs de keten. De hoogteverspreiding is breed: van ongeveer 1000 tot 2700 m, zodat de soort op veel bergen zowel in het lagere als in het hogere nevelwoud te vinden is. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen formele variëteiten meer erkend. Een plant met uitzonderlijk breed, uitstaand peristoom werd in 1994 beschreven als N. carunculata var. robusta, maar omdat N. carunculata zelf in de synonymie van N. bongso is opgegaan, wordt ook die vorm tot de gewone variatie gerekend. De kleur varieert sterk, van groene bekers met weinig vlekken tot vrijwel geheel donkerrode. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. gymnamphora, N. singalana en N. talangensis, die op dezelfde bergen groeien. Een door Danser in 1928 gemelde kruising met N. pectinata blijkt N. densiflora te zijn.

Waar en wanneer te zien

De vulkanen rond Bukittinggi in West-Sumatra, met de Marapi waarnaar de soort genoemd is, liggen voor de hand en worden via bestaande klimpaden bereikt. Begin met zoeken zodra het bos mosrijk wordt, rond 1500 m, en kijk vooral langs open bergkammen. Let op de slanke bovenbekers die op borsthoogte of hoger aan ranken in het struikgewas hangen; de onderbekers zitten vaak half verzonken in het mos. Omdat meerdere soorten op dezelfde hellingen staan, en hybriden niet zeldzaam zijn, loont het om op dekselvorm en de verhouding tussen lengte en breedte van de beker te letten. Blijf op de paden: het mos op bergkammen is kwetsbaar.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern): de soort heeft een groot verspreidingsgebied langs de Barisanketen, een brede hoogteamplitude en veel populaties in slecht bereikbaar bergbos, deels in beschermde gebieden. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Plaatselijke bedreigingen zijn het verzamelen van planten, bosbranden en ontginning van de lagere hellingen voor landbouw, vooral waar wegen het bergbos ontsluiten.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes bongso | Korthals, 1840

Nepenthes bongso werd in 1839 beschreven door Pieter Willem Korthals in zijn monografie "Over het geslacht Nepenthes". De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort is endemisch voor Sumatra, met een verspreiding tussen 1000 en 2700 m hoogte. De soortsnaam verwijst naar de Indonesische legende van Putri Bungsu (letterlijk "jongste dochter"), de beschermgeest van de berg Marapi.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.