Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes macrophylla
Nepenthes macrophylla
Hoog op een van de grote bergen van Sabah, in het mosbos boven 2200 m, hangen bekers van meer dan dertig centimeter met een peristoom als een geribde kraag. Nepenthes macrophylla is een van de zeldzaamste soorten van Borneo: hij is alleen bekend van de top van Trus Madi. De naam betekent ‘grootbladig’, en terecht — de bladschijf kan zestig centimeter lang worden. Maar de reden dat de soort in de biologie bekend is, is een zoogdier: de bergtoepaja, die op de beker komt zitten, suiker van het deksel likt en in de beker poept.

Herkenning
Een klimplant met uitzonderlijk grote, langwerpige bladeren, tot 60 cm lang en 20 cm breed. De bekers zijn tot 35 cm hoog en 15 cm breed; langs de voorzijde lopen twee gefranjerde vleugels tot 10 mm breed. Het opvallendste deel is het peristoom: rolvormig en sterk verbreed, tot 15 mm, met duidelijk naar beneden gerichte tanden aan de binnenrand, die over de mond naar binnen steken. Het deksel staat ver achterover. Onder- en bovenbekers verschillen maar weinig: de bovenbekers zijn wat cilindrischer, de vleugels zijn smaller, en de heup — de plek waar de beker het breedst is en van vorm verandert — ligt altijd in de bovenste helft.
Gelijkende soorten
De soort is lang verward met Nepenthes edwardsiana van de Kinabalu, waarvan hij eerst als ondersoort werd beschreven; ook N. villosa is ermee in verband gebracht. N. edwardsiana heeft slankere, meer cilindrische bekers en een peristoom met hoge, trapvormige ribben, terwijl N. macrophylla bredere bekers en veel grotere bladeren heeft. Op Trus Madi zelf staat N. lowii, met een totaal andere, ingesnoerde beker met een gereduceerd peristoom; de hybride van beide, Nepenthes × trusmadiensis, heeft bekers tot 35 cm en is op de berg bekender dan de soort zelf.
De val en hoe hij werkt
De beker vangt insecten op de gebruikelijke manier, maar zijn vorm lijkt ook op een andere bezoeker afgestemd. Het naar achteren geklapte deksel scheidt aan de onderkant een suikerige afscheiding af, en de brede, stevige kraag van het peristoom vormt een zitplaats. De bergtoepaja (Tupaia montana) gaat erop zitten, likt de afscheiding en laat daarbij uitwerpselen in de beker vallen, die de plant stikstof leveren. Onderzoek uit 2010 liet zien dat vorm en maat van de bekermond precies overeenkomen met de afmetingen van een gewone bergtoepaja. De tanden aan de binnenrand van het peristoom maken het voor insecten die over de rand lopen extra moeilijk om weer naar buiten te klimmen.
Standplaats en ecologie
Mossig bergbos langs bergkammen, waar de vegetatie wordt gedomineerd door Leptospermum en rododendrons (B1). De temperatuur schommelt sterk: overdag tot rond 30 °C, ’s nachts tot ongeveer 5 °C, bij een voortdurend hoge luchtvochtigheid. De bodem is doordrenkt met regen- en wolkenwater, en de planten groeien in het mos en tussen de wortels van de dwergbomen, of klimmen in de lage kroonlaag omhoog. De soort komt voor tussen ongeveer 2200 m en de top op 2642 m.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in Sabah, Maleisisch Borneo, en alleen bekend van de hoogste delen van Trus Madi, tussen ongeveer 2200 m en de top op 2642 m. Het is daarmee een van de kleinste verspreidingsgebieden van alle Bornese bekerplanten. De precieze groeiplaatsen worden hier niet vermeld, vanwege de status van de soort en het risico van verzamelen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten erkend. Taxonomisch is de soort wel verschoven: hij werd eerst bij N. villosa en daarna bij N. edwardsiana ondergebracht, in 1987 door Marabini als ondersoort van de laatste beschreven, en in 1997 door Jebb en Cheek tot zelfstandige soort verheven. De bekendste natuurlijke hybride is N. × trusmadiensis met N. lowii, ontdekt in 1983, met bekers die tot de grootste van Borneo behoren, hoewel de plant zelf niet groot is.
Waar en wanneer te zien
Trus Madi is een zware, meerdaagse klim, alleen te doen met een vergunning van de Sabahse bosbouwdienst en met een lokale gids. Bekerplanten zijn het beste te zien in het mossige bos op de hoogste kammen, bij helder weer vroeg op de dag. Blijf strikt op het pad en raak de planten niet aan: het mos en de wortels langs de kam zijn kwetsbaar, en juist schade door bezoekers is een van de bekende bedreigingen. Neem niets mee, ook geen zaad.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als ernstig bedreigd (Critically Endangered). Het verspreidingsgebied is minuscuul, en Trus Madi heeft niet dezelfde strenge bescherming als de Kinabalu. Genoemde bedreigingen zijn overmatig verzamelen van planten en zaad en beschadiging van de standplaats door bezoekers. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist; de handel steunt voor deze soort vrijwel helemaal op weefselkweek.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes macrophylla | (Marabini) Jebb & Cheek, 1997
Nepenthes macrophylla werd oorspronkelijk in 1987 door Marabini als ondersoort van N. edwardsiana beschreven, en in 1997 door Matthew Jebb en Martin Cheek in hun herziening "A skeletal revision of Nepenthes (Nepenthaceae)" (Blumea) tot volwaardige soort verheven. De berg Trusmadi, Sabah, Maleisisch Borneo, waar de soort met zekerheid alleen uit het topgebied bekend is, op 2200 m tot de top op 2642 m, in mosachtig montaan bos langs bergkammen. De naam is Latijn voor "grootbladig" en verwijst naar de bladeren, die tot tweemaal zo lang kunnen zijn als die van de nauw verwante N. edwardsiana of N. villosa.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.