Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula agnata

Pinguicula agnata

Een vetblad met een bloem die niet direct aan het geslacht doet denken: breed, vlak, vaak vrijwel wit, en met een spoor die zo kort is dat je hem gemakkelijk over het hoofd ziet. Pinguicula agnata groeit op kalkrotsen in de canyons van Hidalgo en Querétaro en is een van de eerste Mexicaanse soorten die na Caspers herziening van het geslacht in de jaren zestig een eigen naam kreeg.

Pinguicula agnata
Foto: Jan Wieneke — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula agnata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: butterwort in kweek — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula agnata — de bloem
De bloem · Foto: 阿橋 HQ in kweek — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

De rozet bestaat uit spatel- tot omgekeerd eirond-langwerpige bladeren van (25) 35 tot 55 (70) mm lang en (7) 10 tot 15 (20) mm breed, dik en stevig, lichtgroen en met een rand die naar boven is omgeslagen. De bovenkant is dicht bezet met klieren en glanst vettig. De bloemsteel wordt 5 tot 12 cm hoog en draagt meestal één bloem. Die bloem is 18 tot 22 mm lang met spoor en heeft brede, elkaar deels overlappende slippen, waardoor hij vlak en rond oogt; de kleur is wit tot bleek blauwviolet, vaak met een violette rand langs de slippen of violette aders in de keel. De spoor is opvallend kort, (2) 3 tot 4 (5) mm. In de droge tijd vormt de plant een rozet van kleinere, minder kleverige bladeren in plaats van een echte knop.

Gelijkende soorten

De korte spoor scheidt de soort van vrijwel alle Mexicaanse verwanten, die vrijwel zonder uitzondering een spoor van meer dan een centimeter hebben. Pinguicula moctezumae en P. elizabethiae uit dezelfde streek zijn daaraan meteen te herkennen. Lastiger is de vergelijking met een aantal witbloemige vormen in noordoostelijk Mexico; daar helpt het dikke, stevige blad en de brede, vlakke bloem. Waar P. agnata met verwanten samen staat zijn kruisingen bekend, met een iets langere spoor en een lichter violette bloem.

De val en hoe hij werkt

Een klassieke lijmval, met een dicht klierdek op een stevig, vlak blad. De gesteelde klieren dragen elk een druppel kleverig slijm; de zittende klieren, die tussen de steeltjes op het bladoppervlak liggen, scheiden pas enzymen af zodra een prooi contact maakt. Het blad reageert daarop met een trage kromming van de rand over de prooi heen, waardoor er een ondiepe kom ontstaat waarin het vocht blijft staan. De vangst is in dit kalkmilieu gevarieerd: muggen, kleine vliegen, mieren, bladluizen en wat er langs een rotswand wordt opgewerveld. Oudere bladeren liggen vol met donkere resten van verteerde insecten.

Standplaats en ecologie

Bijna verticale kalkwanden, bij voorkeur op het noorden, in droge, rotsige hellingen en in de canyons van de Sierra Gorda en omgeving (R1, R2). De planten zitten in spleten en op richels waar water langs de wand sijpelt of waar zich een dun laagje mos en humus heeft verzameld. Het klimaat is warm en uitgesproken seizoensgebonden, met een zomerregentijd en een lange droge periode; de kalkwand geeft in die droge tijd nog water af, en dat is het verschil tussen overleven en uitdrogen. De begeleidende vegetatie is doorgaans een open struweel met agaven, hechtia's en droogtekruiden.

Verspreiding en hoogte

Bekend uit Hidalgo, met het type uit het district Zimapán, en uit aangrenzende delen van Querétaro; het gaat dus om noordoostelijk-centraal Mexico, in en rond de Sierra Gorda. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico'; de literatuur plaatst de soort in dat kleinere gebied. De hoogteligging loopt ruwweg van achthonderdvijftig tot ruim vijftienhonderd meter, afhankelijk van hoe diep de canyon is ingesneden. De soort is endemisch voor Mexico.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

In het wild verschillen populaties vooral in de mate waarin de bloem violet is aangelopen: van vrijwel zuiver wit tot duidelijk blauwviolet met donkere randen. Die variatie is geleidelijk en er worden geen variëteiten onderscheiden. Ook de bladdikte varieert met de bezonning: planten op een open wand hebben dikkere, stugger bladeren dan planten in de schaduw. Kruisingen met andere vetbladen uit hetzelfde gebied komen in het wild voor; die planten hebben een spoor die langer is dan bij P. agnata maar korter dan bij de andere ouder, en horen in deze gids bij de ouders thuis.

Waar en wanneer te zien

Zoek van mei tot augustus, wanneer de soort bloeit en het klierdek op zijn dichtst is. Kijk naar de wand en niet naar de grond: de planten zitten op richels en in spleten, vaak boven ooghoogte, en zijn het best op het noorden en noordoosten te vinden waar de wand langer vochtig blijft. De witte bloem verraadt zich van een afstand als een lichte stip tegen grijs kalksteen. In de droge maanden trekt de plant zich terug in kleinere bladeren en is ze zonder verrekijker praktisch onvindbaar.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: het areaal is beperkt tot een deel van de Sierra Gorda en aangrenzende kalkgebieden, maar binnen dat areaal is de soort op geschikte wanden niet zeldzaam. Als druk worden kalksteenwinning, wegaanleg en het openkappen van wandbegroeiing genoemd, en daarnaast het verzamelen van planten; die laatste druk is vooral historisch, want P. agnata is al tientallen jaren een van de meest verspreide vetbladen in cultuur. Gepubliceerde populatiecijfers ontbreken, zodat een beoordeling vooral extra veldwerk zou vergen.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula agnata | Casper, 1963

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 1963, in Feddes Repertorium Specierum Novarum Regni Vegetabilis 67(1–3): 14. Het typegebied ligt in het district Zimapán in de Mexicaanse deelstaat Hidalgo, bij de Barranca de Tolimán, op natte kalkrotsen op ongeveer 1524 meter hoogte. De soortnaam agnata is Latijn voor "verwant, aanverwant" en verwijst vermoedelijk naar de gelijkenis van deze soort met andere Mexicaanse Pinguicula-soorten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.