Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula ehlersiae
Pinguicula ehlersiae
Een klein, vlezig vetblad van de gipsheuvels in het droge binnenland van Mexico, met een bloem waarvan de spoor aan het uiteinde een haak maakt — een kenmerk dat je bij weinig andere soorten zo duidelijk ziet. Pinguicula ehlersiae werd in 1982 beschreven en is sindsdien onderwerp van een aanhoudend meningsverschil: is het een eigen soort, of een vorm van P. esseriana?

Herkenning
Een lage, vlakke tot iets bolle rozet van dikke, spatelvormige blaadjes, grijsgroen tot roodpaars aangelopen, vaak met een lichte vlek op het bladoppervlak. De winterrozet is compact en nagenoeg kliervrij; de zomerrozet is wat platter en breder, met een dun maar duidelijk klierdek. De bloemen komen uit de winterrozet, op een dunne steel die duidelijk boven de plant uitsteekt. De kroon is roze tot violetpurper met een lichtere keel, en de smalle spoor is aan het eind kenmerkend gehaakt. Net als bij verwanten laat de plant gemakkelijk blaadjes los waaruit nieuwe rozetten groeien, zodat een vindplaats vaak uit dichte polletjes van tientallen planten bestaat. Opvallend is dat de bloei plaatsvindt terwijl de plant nog in haar droogtegedaante staat: de bloemsteel komt uit een rozet die op dat moment nauwelijks vangt en dus volledig op opgeslagen reserves teert. Pas weken later, met de eerste regens, verschijnt de carnivore zomerrozet.
Gelijkende soorten
De nauwste verwant is Pinguicula esseriana, waarvan sommige auteurs P. ehlersiae als variëteit beschouwen. Het verschil zit in de wat vlakkere rozet, de lichtere vlek op het blad en de haakvormige spoor; buiten de bloei zijn de twee in het veld nauwelijks te scheiden. Ook P. debbertiana, uit hetzelfde gipsgebied, komt in aanmerking: die heeft een kleinere bloem met een kortere, rechtere spoor. De literatuur is hier openlijk onzeker, en op sommige heuvels staan planten die precies tussen de drie in vallen.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval met een sterk seizoenspatroon. In de zomerrozet dragen de bladeren gesteelde klieren met een kleverige druppel en, daartussen, zittende klieren die verteringsenzymen afscheiden zodra er een prooi ligt; de bladrand rolt dan een klein stukje naar binnen zodat het vocht blijft staan. In de winterrozet zijn de bladeren dik en vlezig en vrijwel kliervrij: dat is geen vangorgaan maar een waterreservoir voor de droge maanden. De prooi is klein — springstaarten, muggen, vliegjes en mieren die in de koele ochtenduren over het gips lopen.
Standplaats en ecologie
Gipsbodems in droge, halfwoestijnachtige heuvels, meestal in de luwte van struiken, agaven en hechtia's, of op noordhellingen waar de zon minder hard aankomt (R2, D4). De soort staat tussen ongeveer twaalf- en zestienhonderdvijftig meter, op de overgang van het hoogland naar de uitlopers van de Sierra Madre Oriental. De zomerregens zijn kort en hevig; de rest van het jaar levert vooral nachtelijke dauw het water. Gips is een bodem waar weinig planten mee overweg kunnen, en dat houdt de concurrentie op afstand. De dauw is op deze standplaats geen bijkomstigheid maar de belangrijkste watervoorziening buiten het regenseizoen: in heldere nachten koelt het gipsoppervlak sterk af en slaat er voldoende vocht op neer om de rozetten door maanden zonder regen te helpen.
Verspreiding en hoogte
Mexicaanse endemeet, met vindplaatsen in San Luis Potosí — onder meer rond Guadalcázar, Santa Gertrudis, El Huizache en Ascensión — en in het noorden van Hidalgo, ten noorden van Ixmiquilpan en bij Tolantongo. Onze soortenlijst noemt San Luis Potosí, en dat klopt met het zwaartepunt van de verspreiding; de populaties in Hidalgo horen er echter ook bij. Het areaal is klein en sterk versnipperd, want het volgt de gipsafzettingen in dit droge deel van centraal Mexico.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Tussen populaties verschilt de bloemkleur duidelijk, van bleek roze tot verzadigd violetpurper, en ook de kromming van de spoor is niet bij alle planten even uitgesproken. Die variatie is geleidelijk, en juist daarom is de soortgrens met P. esseriana onduidelijk gebleven. Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. De mate waarin de rozet rood kleurt hangt sterk van de bezonning af en is geen taxonomisch kenmerk. Waar twee gipsbewonende vetbladen op dezelfde heuvel staan, moeten tussenvormen eerst als natuurlijke kruising worden overwogen.
Waar en wanneer te zien
De bloei valt aan het einde van de droge tijd, van februari tot in april, en dat is ook het beste moment om te zoeken: de bloemen steken dan als roze stipjes boven het bleke gips uit terwijl de rozetten zelf nog klein zijn. Kijk op noord- en oosthellingen, aan de voet van gipsbanken, en onder de rand van struiken waar zich een beetje gruis verzamelt. De planten zijn kleiner dan een muntstuk; ga zitten en zoek stelselmatig een vierkante meter af in plaats van een helling af te lopen.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is: de soort is aan gips gebonden, komt uit een beperkt aantal gebieden in twee deelstaten, en kan op geschikte plekken plaatselijk in grote aantallen staan. De druk komt van gipswinning, wegaanleg en begrazing; daar komt bij dat verzamelaars deze kleine, gemakkelijke soort decennialang hebben meegenomen, hoewel cultuurmateriaal nu overal verkrijgbaar is. Populatiecijfers zijn niet gepubliceerd. Zolang de soortgrens met P. esseriana onduidelijk blijft, is ook een beoordeling lastig: eerst moet vaststaan waar de soort precies begint en ophoudt.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula ehlersiae | Speta & Fuchs, 1982
Beschreven door Franz Speta en Franz Fuchs in 1982, in “Neue Pinguicula-Arten (Lentibulariaceae) aus Mexiko”, Stapfia 10: 111–119. Het typegebied ligt bij Guadalcázar, in de Mexicaanse deelstaat San Luis Potosí; het typemateriaal werd in 1979 verzameld door Renate Ehlers. De soortnaam ehlersiae eert Renate Ehlers, die het typemateriaal verzamelde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.