Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula laueana

Pinguicula laueana

Rood is in dit geslacht een zeldzaamheid, en Pinguicula laueana is er het bekendste voorbeeld van: een vetblad met een helder scharlaken tot karmijnrode bloem op een lange, dunne steel, uit de Sierra Mixe in Oaxaca. De soort werd pas in 1989 beschreven en is in het wild van maar enkele plekken bekend, hoog in het nevelwoudgebied rond de Cerro Zempoaltépetl.

Pinguicula laueana
Foto: incidencematrix in kweek — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula laueana — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Michal Klajban in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula laueana — de bloem
De bloem · Foto: incidencematrix in kweek — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet die in de loop van het jaar sterk verandert. De winterbladeren zijn klein, ongeveer 2 cm lang en een halve tot bijna een centimeter breed, dik en vlezig. De zomerbladeren worden ongeveer 5 cm lang en 2,5 cm breed, vlak uitgespreid en met een glanzend klierdek; een goed ontwikkelde plant meet dan ruim een decimeter over de rozet. Uit het hart komen dunne bloemstelen van 15 tot 20 cm. De bloem is het kenmerk: helder rood tot dieprood-karmijn, met een romige of lichte vlek in de keel, een onderlip van ongeveer 20 mm en een slanke, licht gebogen spoor van vier tot vierenhalve centimeter — bijna twee keer zo lang als de bloem zelf. Bloeitijd april tot augustus.

Gelijkende soorten

In het veld is de rode bloem met de zeer lange spoor vrijwel onmiskenbaar. De enige andere rode Mexicaanse vetbladen zijn Pinguicula utricularioides uit oostelijk Oaxaca, die veel kleiner is en een spoor van slechts 5 tot 8 mm heeft, en de dieprode vormen van P. elizabethiae, die verder noordelijk in Hidalgo en Querétaro staat. Buiten de bloei lijkt P. laueana op tal van andere Mexicaanse soorten; dan is de vindplaats in de Sierra Mixe het beste houvast. Hybriden met P. moranensis zijn uit hetzelfde gebied beschreven en hebben een roze tot rozerode bloem.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een vlak, vrij groot blad, dat in een vochtig bergklimaat vrijwel het hele jaar door werkt. De gesteelde klieren houden de prooi vast met een druppel slijm; zodra het dier contact maakt geven de zittende klieren enzymen af en begint de bladrand zich traag naar binnen te rollen, zodat er een kommetje ontstaat waarin het verteringsvocht blijft. Omdat de plant in nevelwoud groeit, waar het langdurig vochtig blijft, spoelt dat vocht minder snel weg dan op een droge standplaats. De vangst bestaat vooral uit kleine tweevleugeligen die in de schaduw rond mos en varens zwermen.

Standplaats en ecologie

De bovenste hellingen van de Sierra Mixe, in en rond nevelwoud, op mossige rotsen, beschaduwde taluds en steile bermen waar het water langs sijpelt (R1, B1). Het is een koel, permanent vochtig milieu met veel mist; zelfs in het droge seizoen staat er regelmatig laaghangende bewolking tegen de hellingen. De planten groeien in dunne mospakketten op rots of aarde, zelden in echte bodem. Concurrentie van grassen en kruiden wordt beperkt doordat de standplaats steil en ondiep is: wat er groeit, moet het met een paar centimeter mos en humus doen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en, voor zover bekend, voor de Sierra Mixe in Oaxaca, in de omgeving van Ayutla en de Cerro Zempoaltépetl. Onze soortenlijst noemt Oaxaca, en dat klopt. Het areaal is klein, en het aantal betrouwbaar gepubliceerde vindplaatsen is beperkt; de hoogteligging valt in de bovenste bergzone, ruwweg tussen achttienhonderd en tweeëntwintighonderd meter, plaatselijk hoger. Binnen dat kleine gebied lijkt de soort aan bepaalde wanden en taluds gebonden en niet over het hele massief verspreid.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

In het wild verschilt de bloemkleur tussen populaties van een helder, bijna oranjerood tot een diep karmijn met paarse zweem; de lichte keelvlek is bij sommige planten duidelijk, bij andere vaag. Die variatie is geleidelijk en er zijn geen wilde variëteiten beschreven. Wat in de handel als afzonderlijke klonen wordt verkocht valt buiten deze gids. Belangrijker voor de veldwaarnemer zijn de natuurlijke kruisingen met P. moranensis, die op gemengde vindplaatsen voorkomen: die planten hebben een roze tot rozerode bloem met een spoor van tussenliggende lengte.

Waar en wanneer te zien

Ga tussen april en augustus, als de rode bloemen boven het mos uitsteken; ze zijn van grote afstand zichtbaar en verraden de rozetten die er anders onder wegvallen. Zoek langs de bovenste bochten van bergwegen en op beschaduwde, mossige taluds, niet in het open grasland. Let op mist: de beste momenten zijn vroeg in de ochtend, wanneer het klierdek vol condens zit. Neem geen planten mee en trek geen mos los — de standplaats is ondiep en herstelt traag.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, verdient aandacht: het areaal is zeer klein, de soort is pas in 1989 beschreven, en juist de rode bloem heeft haar bij verzamelaars zeer gewild gemaakt. Daarnaast staat het nevelwoud in de Sierra Mixe onder druk van houtkap, wegaanleg en uitbreiding van landbouwgrond, en zijn steile taluds langs wegen zowel groeiplaats als eerste slachtoffer van onderhoud. Populatiegegevens ontbreken. De plant is in cultuur algemeen en gemakkelijk te vermeerderen, zodat er voor de handel geen enkele reden is om wilde planten te betrekken.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula laueana | Speta & Fuchs, 1989

Beschreven door Franz Speta en Franz Fuchs in 1989, in Phyton (Oostenrijk) 29(1): 93–103. De vindplaats ligt in de Sierra Mixe, in de Mexicaanse staat Oaxaca, nabij Ayutla en niet ver van de berg Cerro Zempoaltépetl. Alle gekweekte planten stammen af van dezelfde vindplaats, ontdekt door de Duitse plantenverzamelaar Alfred B. Lau; de soortnaam eert vermoedelijk hem, al wordt dat in de oorspronkelijke beschrijving niet expliciet zo gesteld.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.