Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula colimensis
Pinguicula colimensis
Een forse vetblad van de kalk- en gipswanden in het warme westen van Mexico, met bladeren die in de zomer handpalmgroot worden en een grote, dieproze tot karmijnrode bloem. Pinguicula colimensis werd in 1963 beschreven naar materiaal uit Colima en is een van de weinige soorten van dit geslacht die zich in de lage, hete Pacifische zone thuis voelt.

Herkenning
In de droge tijd blijft er een kleine winterrozet van korte blaadjes van 10 tot 20 mm over. In de regentijd verandert de plant volledig: de zomerbladeren worden omgekeerd eirond-langwerpig, 60 tot 120 mm lang en 30 tot 65 mm breed, vlak uitgespreid en met een dicht, glanzend klierdek. De bloemstelen worden 6 tot 14 cm, soms tot 19 cm. De bloem meet 35 tot 50 mm inclusief de spoor en is dieproze tot karmijnrood; de spoor is slank en lang, (20) 25 tot 35 (40) mm, en steekt ver achter de bloem uit. Bloei valt in en na het regenseizoen, van juli tot in december. Het formaat van de zomerrozet en de kleur van de bloem maken de soort in het veld opvallend.
Gelijkende soorten
De grote, brede zomerbladeren in combinatie met een lange spoor en een roze tot rode bloem scheiden de soort van de meeste verwanten. Pinguicula moranensis, die in delen van hetzelfde gebied voorkomt, heeft kleinere bladeren en een bloem die meestal meer violet dan rood is. P. macrophylla heeft eveneens grote bladeren maar een uitgesproken violetpurperen bloem en groeit hoger in het gebergte. Buiten de bloei is de grootte van het zomerblad al een sterk kenmerk: weinig Mexicaanse vetbladen worden zo breed.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval op een groot, vlak blad, en daarmee een van de ruimste vangoppervlakken binnen het geslacht in Mexico. De gesteelde klieren dragen een druppel kleverig slijm; de zittende klieren daartussen geven bij contact enzymen af. De bladrand rolt zich daarna traag over de prooi heen, zodat het vocht in een ondiepe kom blijft staan en niet van de steile rotswand af loopt. Doordat de bladeren zo breed zijn, blijft er ook bij een fikse tropische bui vocht tussen de klieren hangen. De vangst is in dit warme laagland gevarieerd en talrijk: muggen, vliegen, mieren en allerlei kleine wandelende insecten.
Standplaats en ecologie
Steile tot verticale kalksteen- en gipswanden, vaak op het noorden, in een warm en uitgesproken seizoensgebonden klimaat (R1, R2). De planten groeien op richels, in spleten en op plekken waar water over de wand trekt; in de droge maanden valt die watertoevoer vrijwel weg en trekt de plant zich terug in de winterrozet. De hoogteligging is voor een Mexicaanse vetblad laag — enkele honderden meters — en dat betekent hoge temperaturen en een korte, hevige regentijd. Begeleidende vegetatie is loofverliezend tropisch droogbos en open struweel op de wandvoet.
Verspreiding en hoogte
Bekend uit het westen en zuidwesten van Mexico: Colima, met aangrenzende vindplaatsen in Michoacán en Guerrero. Onze soortenlijst noemt Colima, wat overeenkomt met de typelocatie, maar het areaal reikt verder dan die ene deelstaat. De soort is endemisch voor Mexico. Het is een verspreiding van losse wanden en kloven in het heuvelland achter de Pacifische kust, en niet een aaneengesloten gebied; tussen de vindplaatsen ligt landschap dat voor deze plant volstrekt onbewoonbaar is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. De bloemkleur wisselt tussen populaties van dieproze tot vrijwel karmijnrood, en ook de spoorlengte varieert flink, van twee tot vier centimeter. Bladgrootte hangt vooral af van de hoeveelheid water die een wand in de regentijd vasthoudt: op de natste wanden worden de zomerbladeren het grootst. Er zijn geen natuurlijke kruisingen met andere vetbladen van de vindplaatsen gepubliceerd, wat gezien de geïsoleerde ligging van de wanden niet verrassend is.
Waar en wanneer te zien
Zoek van augustus tot november, wanneer de zomerrozetten volgroeid zijn en de bloemen erboven staan; in de droge maanden is er nauwelijks iets te zien. Kijk naar de wand en niet naar de grond, en richt je op natte, beschaduwde delen waar mos en varens groeien. De roze bloemen zijn van een afstand goed te zien tegen het lichte kalksteen. Het gaat om steile wanden in een warm klimaat; blijf op het pad, vermijd de middaguren en neem ruim water mee.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en niet in CITES opgenomen. Bekend is dat de soort op een beperkt aantal wanden in het westen van Mexico voorkomt en daar plaatselijk in behoorlijke aantallen kan staan. De genoemde risico's zijn kalksteen- en gipswinning, wegaanleg door de kloven, en branden in het omringende droogbos die tot aan de wandvoet komen. Gepubliceerde tellingen zijn er niet, en dat is precies wat een beoordeling zou vereisen. De soort is in cultuur aanwezig, zodat verzamelen in het wild niet nodig is.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula colimensis | McVaugh & Mickel, 1963
Beschreven door Rogers McVaugh en John Mickel in 1963. Het typegebied ligt in de Mexicaanse deelstaat Colima, waar de soort verticaal gipsgesteente begroeit op ongeveer 450 meter hoogte, zo'n 30 kilometer van de Pacifische kust. De soortnaam colimensis verwijst rechtstreeks naar de deelstaat Colima, waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.