Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula filifolia

Pinguicula filifolia

Bijna niemand die Pinguicula filifolia voor het eerst ziet, denkt aan een vetblad. In plaats van een platte rozet van vlezige bladeren staat er een bosje smalle, bijna draadvormige bladeren rechtop uit het witte zand — een vorm die verder in het hele geslacht niet voorkomt. De plant hoort bij de witzandsavannen van West-Cuba en het Isla de la Juventud, leeft kort, en verdwijnt buiten het regenseizoen zo volledig dat je op dezelfde plek maanden later niets terugvindt.

Pinguicula filifolia
Foto: J. L. Gómez-Hechavarría — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

De bladeren zijn lijn- tot draadvormig, opgericht en vaak een paar centimeter lang, lichtgroen en over de hele lengte bezet met steelklieren die in de zon glinsteren. Ze staan in een losse rozet die eerder op een pol gras lijkt dan op een vetblad. De bloemstelen zijn dun en klierachtig behaard en dragen elk één bloem. Bij de gewone ondersoort is die violet tot paars; bij ondersoort alba, die alleen in het uiterste westen van Pinar del Río bekend is, is hij wit. De vruchtjes zijn kleine doosjes met stofzaad. Omdat de plant maar kort leeft, tref je vaak alle stadia door elkaar aan: kiemplanten, bloeiende exemplaren en verdroogde stelen van vorig jaar.

Gelijkende soorten

Verwarring met een andere vleesetende plant is in het veld nauwelijks mogelijk: geen enkel ander vetblad heeft draadvormige bladeren. Het grootste risico is dat je hem juist níét herkent en aanziet voor een grasje of een jonge zegge. Kijk daarom naar het licht: de klierdruppels langs het blad verraden de plant onmiddellijk. Op dezelfde witzandsavannes staan zonnedauwen (Drosera) en blaasjeskruiden (Utricularia); die hebben respectievelijk duidelijk gesteelde vangbladen met lange tentakels of helemaal geen klieren boven de grond. Binnen het geslacht is de enige echte vraag welke ondersoort je voor je hebt, en die beantwoordt de bloemkleur.

De val en hoe hij werkt

Het vangprincipe is hetzelfde als bij elk vetblad, alleen is het oppervlak hier anders verdeeld. Bij een gewone rozet ligt het klierdek als een tapijt op de grond; hier staat het rechtop, verspreid over een bundel dunne bladeren, zodat de plant vooral insecten vangt die tussen de vegetatie door vliegen in plaats van erop landen. Steelklieren leveren de kleefdruppel, zittende klieren de verteringsenzymen. Een vastgeplakte mug wordt niet ingerold zoals bij breedbladige soorten — daarvoor is het blad te smal — maar blijft liggen waar hij zit, en het verteringsvocht trekt langs het bladoppervlak weg. De buit is navenant klein: muggen, bladluizen, kleine vliegjes.

Standplaats en ecologie

De soort staat in seizoensnatte savannen op wit kwartszand, de bodem die op Cuba arenas blancas heet: extreem voedselarm, sterk zuur, in de regentijd drassig en in de droge tijd kurkdroog. Typemateriaal van ondersoort alba komt uit open dennenbos op dat witte zand, vlak bij de kust, op slechts enkele meters boven zeeniveau. Dat is een habitat waar bijna alle voedingsstoffen in de levende biomassa zitten en niet in de bodem, en waar vleeseterij dus loont. De plant is volledig afhankelijk van open terrein; zodra struiken de savanne sluiten, verdwijnt hij. De savanne werkt bovendien op een ritme dat de plant volledig heeft overgenomen: in de natte maanden kiemen, groeien en bloeien, daarna zaad zetten en verdwijnen. Een groeiplaats is dus niet zozeer een plek waar de plant staat als wel een plek waar hij elk jaar terugkeert uit de zaadbank.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba, en daar beperkt tot het westen: de provincie Pinar del Río en het Isla de la Juventud. Verzamelde exemplaren komen onder meer uit het ecologisch reservaat Los Indios op het Isla de la Juventud en uit de kustsavannen van Los Pretiles in Pinar del Río. De hoogteligging is nihil — geëtiketteerde vondsten staan op vier tot vijf meter boven zeeniveau. Het areaal is daarmee klein en versnipperd over een handvol savannefragmenten die elk hun eigen geschiedenis van ontwatering, aanplant en brand hebben.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden twee ondersoorten onderscheiden. De typische ondersoort heeft violette tot paarse bloemen en is bekend van het Isla de la Juventud en delen van Pinar del Río. Ondersoort alba, in 2014 beschreven, heeft witte bloemen en een uiterst beperkte verspreiding in het uiterste westen van Pinar del Río. Verder varieert vooral de lengte en het aantal van de draadvormige bladeren, wat sterk met het weer meebeweegt: in een natte maand zijn de bosjes forser dan in een droge. Kweekvormen blijven hier buiten beschouwing.

Waar en wanneer te zien

Ga in het regenseizoen, wanneer de savanne plasdras staat; buiten die periode is er letterlijk niets te zien. Zoek op de laagste plekken van de open savanne, langs de randen van tijdelijke plassen en op kale zandplekken tussen de pollen, en ga door de knieën — de plant is dun en laag en verdwijnt tussen het gras. Strijklicht in de vroege ochtend is de beste bondgenoot: dan lichten de klierdruppels langs de draadbladen op. Denk eraan dat veel vindplaatsen in beschermde reservaten liggen waarvoor toestemming nodig is. Neem de moeite om terug te komen: doordat de plant kortlevend is, kan een goed jaar tientallen exemplaren opleveren op een plek waar het jaar ervoor niets stond. Noteer daarom niet alleen wat je vindt maar ook waar je niets vindt.

Staat van instandhouding

Voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst is deze soort niet geëvalueerd, en hij staat niet in CITES. Wat wél vaststaat is dat het om een Cubaanse endeem gaat met een klein aantal bekende vindplaatsen in een habitattype — de witzandsavanne — dat op Cuba zelf sterk is teruggelopen door ontwatering, omzetting in dennenaanplant en veranderde brandregimes. De ondersoort alba werd bij haar beschrijving in 2014 uitdrukkelijk als extreem beperkt van verspreiding gekenschetst. Het ontbreken van een mondiale beoordeling zegt hier dus niets over de kwetsbaarheid, alleen dat het dossier nog niet is opgemaakt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula filifolia | Wright ex Grisebach, 1866

Beschreven door Charles Wright, gepubliceerd door August Grisebach in 1866. Het typegebied ligt in het westen van Cuba, van de provincie Pinar del Río tot het eiland Isla de la Juventud. De soortnaam filifolia is samengesteld uit het Latijnse filum ("draad") en folium ("blad") en verwijst naar de dunne, draadvormige bladeren van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.