Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula apuana
Pinguicula apuana
De Apuaanse Alpen zijn een kort, steil gebergte boven de Toscaanse kust, beroemd om het witte marmer dat er wordt gewonnen. Ze herbergen twee eigen vetbladen, en dit is de grootste van de twee: Pinguicula apuana, in 1981 beschreven en daarbuiten nergens te vinden.

Herkenning
Een vlakke tot licht opstaande rozet van gaafrandige, langwerpig eivormige bladeren die geelgroen zijn, vettig aanvoelen en aan de rand naar boven omkrullen. Uit het hart komen kale bloemstelen met elk één tweelippige bloem: een tweelobbige bovenlip, een drielobbige onderlip met keeltekening en achteraan een spoor. Betrouwbare maten voor plant, kroon en spoor konden voor deze gids niet in een toetsbare bron worden gevonden en zijn hier daarom niet opgegeven. Wat wel vaststaat is dat de soort polyploïd is, met een chromosomenaantal dat het dubbele is van dat van zijn buurman P. mariae — en polyploïde planten zijn doorgaans forser gebouwd.
Gelijkende soorten
De belangrijkste vergelijking is met Pinguicula mariae, die in hetzelfde gebergte groeit en er sterk op lijkt. De twee zijn in het veld lastig te scheiden en werden pas in hetzelfde artikel als afzonderlijke soorten beschreven; het verschil is genetisch scherp — P. apuana heeft tweemaal zoveel chromosomen — maar met het blote oog subtiel, en zit vooral in formaat en bloemverhoudingen. Verder naar het noordoosten, op de kam van de Noordelijke Apennijnen, staat P. christinae. Voor de veldgidslezer is de praktische regel: noteer precies waar je staat en fotografeer bloem, blad en vrucht.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval van het gewone vetbladtype, maar in een uitzonderlijk milieu. Op het blad staan gesteelde klieren met een kleverige druppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er prooi op ligt. De vangst bestaat uit muggen, vliegjes en springstaarten die in de vochtige lucht langs de natte marmerwanden leven. Na een vangst rolt de bladrand zich naar de prooi toe, zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan en niet van de steile wand af loopt. Op doorspoeld marmer en kalksteen is er in de bodem vrijwel geen stikstof te halen; de insecten zijn hier geen aanvulling maar de hoofdmaaltijd.
Standplaats en ecologie
Natte kalk- en marmerrotsen: druipende wanden, sijpelplekken onder rotsbanken, en vochtige, kortgrazige plekken op de hoogste hellingen. De Apuaanse Alpen zijn steil en verkarst, wat betekent dat regenwater meteen in de berg verdwijnt en pas veel lager weer aan de oppervlakte komt; de standplaatsen van deze plant liggen precies op die uittreepunten. Beschaduwing door opkomend struweel en het uitdrogen van een sijpelplek zijn de twee manieren waarop zo'n standplaats verdwijnt. De soort verdraagt geen van beide.
Verspreiding en hoogte
Alleen de Apuaanse Alpen in Toscane, Italië, en daarbinnen een beperkt aantal natte wanden en hellingen. Het volledige wereldareaal beslaat een gebergte van nog geen vijftig kilometer lang. Dat de Apuaanse Alpen twee eigen vetbladen herbergen naast een reeks andere endemeten, is geen toeval: het massief is oud, steil, kalkrijk en door de zee en door brede dalen van de Apennijnenkam gescheiden, en zulke bergen bewaren soorten die elders zijn verdwenen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De taxonomie van het Apuaanse duo is wel in beweging: moleculair onderzoek aan de Italiaanse vetbladen heeft laten zien dat P. apuana en P. mariae op verschillende ploïdieniveaus staan en niet elkaars naaste verwanten hoeven te zijn, en daarmee is de vraag waar precies de grens ligt niet definitief beantwoord. Binnen de soort volgt de variatie vooral de standplaats: op de natste wanden groeien de planten ruimer en bloeien ze rijker dan op een net vochtige spleet.
Waar en wanneer te zien
Mei en juni, wanneer het water uit de winterneerslag nog door de karst trekt. Zoek naar de natte strepen op de wanden — in de Apuaanse Alpen zijn die van een afstand te zien als donkere banen over het lichte gesteente — en volg ze naar de voet. De rozetten zitten vaak boven ooghoogte in een spleet. Dit is een gebergte met actieve marmergroeves en veel loszittend steen; blijf op de paden, klim niet in de wanden en gebruik een verrekijker. Noteer de vindplaats nauwkeurig: voor deze recent beschreven soorten is een goede waarneming meer waard dan een verzamelde plant.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst; er is geen internationale categorie en CITES is niet van toepassing. Wat bekend is: een endemeet van één gebergte, met een klein aantal standplaatsen die allemaal aan een constante watertoevoer hangen. Het grootste, en in dit gebergte heel concrete, risico is de marmerwinning, die hele bergflanken verandert en de waterwegen in de karst kan doorsnijden; daarnaast spelen verdroging bij langere droge zomers, het dichtgroeien van kortgrazige hellingen en het wegnemen van planten door verzamelaars. Een beoordeling zou hier waarschijnlijk in een bedreigingscategorie uitkomen; dat ze ontbreekt, is een leemte.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula apuana | Casper & Ansaldi, 2009
Beschreven door Siegfried Jost Casper en Alessandro Ansaldi in 2009, in een publicatie over het voorkomen van het geslacht Pinguicula in de Apuaanse Alpen (Toscane, Italië). Het typegebied ligt in de Apuaanse Alpen in Toscane, Italië. De soortnaam apuana verwijst rechtstreeks naar de Apuaanse Alpen, waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.