Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula albida
Pinguicula albida
Pinguicula albida is het witbloemige vetblad van de laaglandsavannen van West-Cuba — een van de oudste namen in de Cubaanse groep, al in de negentiende eeuw verzameld door Charles Wright en beschreven door Grisebach. Anders dan de meeste Cubaanse verwanten, die op natte rotsen in het oostelijke bergland zitten, hoort deze soort thuis in de vlakke, seizoensdrassige zandsavannen en moerasranden van Pinar del Río.

Herkenning
Een vlakke rozet van gaafrandige, lichtgroene bladeren die dicht tegen de natte zandbodem ligt en aan de bovenzijde glinstert van de klierdruppels. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen met elk één bloem. De bloem is wit — dat is de naam en tegelijk het belangrijkste veldkenmerk — en tweelippig met een spoor aan de achterzijde, zoals bij alle vetbladen. Buiten de bloei is de rozet klein en onopvallend en verdwijnt hij tussen de grassen en zeggen van de savanne; het natte, glanzende oppervlak van het blad is dan het enige houvast. De bloemsteel is bij deze groep zelf ook klierachtig behaard, iets wat je met een loep goed kunt zien en wat helpt om de plant van grasachtige buren te onderscheiden. Na de bloei blijft een klein doosje met stofzaad achter dat bij droog weer openspringt.
Gelijkende soorten
In West-Cuba is de kans op verwarring beperkt. Pinguicula filifolia staat in hetzelfde savannetype maar heeft draadvormige, opgerichte bladeren en is daarmee direct te scheiden; de witbloemige ondersoort van die soort maakt bloemkleur alleen geen voldoende kenmerk. P. cubensis en P. lithophytica zijn planten van natte rotsen en watervallen en horen in een ander landschap thuis. De witbloemige vetbladen van Oost-Cuba, zoals P. jaraguana, staan honderden kilometers verderop op serpentijn en overlappen niet. Let dus eerst op bladvorm en standplaats, pas daarna op de bloem.
De val en hoe hij werkt
Het blad is een lijmval met twee soorten klieren: gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel, en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. Wat blijft plakken zijn vooral de kleine vliegende insecten die in drassige savanne massaal voorkomen — dansmuggen, steekmuggen, kleine vliegjes. Bij een breed blad rolt de rand zich langzaam naar de prooi toe, zodat het verteringsvocht niet van het vlakke oppervlak wegloopt; daarna strekt het blad zich weer. Op de witte zandbodem, waar bijna geen opneembare stikstof beschikbaar is, is dat vangen geen bijverdienste maar de kern van de voedselvoorziening.
Standplaats en ecologie
De soort hoort bij de laaggelegen zandsavannen en moerasranden van West-Cuba: terrein dat in het regenseizoen drassig staat en in de droge maanden hard opdroogt, op sterk uitgeloogd, zuur wit zand. Etiketten noemen onder meer de moerassen van San Ubaldo in het westen van Pinar del Río. Dit landschapstype behoort tot de armste van het eiland en herbergt daarom een opvallend gezelschap vleesetende planten, met zonnedauwen en blaasjeskruiden als vaste buren. Beschaduwing verdraagt de plant niet: verruiging door struiken betekent het einde van een groeiplaats.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Cuba en beperkt tot het westen van het eiland: de provincie Pinar del Río, met vondsten bij Guane, Sandino, Mantua en Los Palacios. Daarmee valt het areaal ongeveer samen met de westelijke zandsavannegordel, een strook laagland tussen de kalkbergen van de Sierra de los Órganos en de kust. Hoogtegegevens ontbreken vrijwel; het gaat om vlak laagland dicht bij zeeniveau. Buiten Pinar del Río is de soort niet betrouwbaar gemeld. Dat het om een oude naam gaat, uit de verzamelingen van Charles Wright, betekent dat er over anderhalve eeuw waarnemingen bestaan — maar het betekent ook dat een deel van de historische vindplaatsen inmiddels is verdwenen of niet meer terug te vinden is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Wat verschilt tussen groeiplaatsen is vooral grootte en bladkleur: op volle zon en schraal zand blijven de rozetten klein en geelgroen, in de beschutte overgang naar moerasvegetatie worden ze groter en frisser groen. Binnen de witbloemige Cubaanse vetbladen is deze soort in recent werk gebruikt als vergelijkingspunt bij het beschrijven van nieuwe soorten uit het oosten, wat betekent dat de precieze grenzen van de variatie nog in beweging zijn.
Waar en wanneer te zien
Ga in of vlak na het regenseizoen, als de savanne nog nat is, en zoek op de laagste, open delen: randen van tijdelijke plassen, kale zandplekken tussen de pollen en de overgang naar moerasvegetatie. De witte bloem is op een halve meter afstand het gemakkelijkst te zien; de rozet zelf niet. Kniel en kijk tegen de zon in. Combineer de zoektocht met het speuren naar zonnedauw en blaasjeskruid — waar die staan, is de bodem arm en nat genoeg voor dit vetblad.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Cubaanse endeem van het westelijke laagland, met een handvol gedocumenteerde gemeenten en een duidelijke binding aan een habitattype dat op het eiland sterk onder druk staat. Zandsavannen zijn op grote schaal ontwaterd, omgezet in dennenaanplant of bebouwd, en een veranderd brandregime laat struiken de open vegetatie sluiten. Er is geen internationale categorie; dat de soort al sinds de negentiende eeuw bekend is en nog steeds wordt waargenomen, is het enige gunstige signaal in een verder dun dossier.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula albida | Wright ex Grisebach, 1866
Beschreven door Charles Wright, gepubliceerd door August Grisebach in 1866, in “Catalogus Plantarum Cubensium”. Het typegebied ligt in het westen van Cuba, in de omgeving van Pinar del Río. De soortnaam albida is Latijn voor "witachtig" en verwijst naar de witte tot roze-witte bloemkleur, zoals ook in de oorspronkelijke beschrijving genoemd ("albida vel roseo-albida").
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.