Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula bissei

Pinguicula bissei

Pinguicula bissei is een van die Cubaanse vetbladen die pas laat zijn beschreven en die je alleen vindt als je precies weet waar je moet zijn: langs de oevers van de rivier de Báez in het uiterste oosten van het eiland, in het bergland achter Baracoa. De soort is genoemd naar Johannes Bisse, de Duitse botanicus die met Cubaanse collega's decennialang de flora van Oost-Cuba in kaart bracht en wiens vondsten aan de basis staan van vrijwel elke recente vetbladbeschrijving uit dit gebied.

Pinguicula bissei
Foto: Yoannis Domínguez — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een kleine, vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren waarvan het bovenvlak dicht bezet is met steelklieren; in schuin licht ziet het blad er nat uit terwijl het droog aanvoelt. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen met elk één tweelippige bloem met een spoor aan de achterkant, de standaardbouw van het geslacht. De plant groeit vlak tegen vochtige, begroeide rotsen en oeverbodem aan, en ligt daardoor letterlijk in het horizontale vlak — je kijkt van boven op de rozet neer. Zonder bloem is het vooral het glanzende klierdek dat de plant verraadt.

Gelijkende soorten

Het grootste identificatieprobleem in Oost-Cuba is niet het geslacht maar de soort: er staan verschillende, nauw verwante vetbladen op korte afstand van elkaar, en de verschillen zitten in bloemmaten en zaaddetails die je in het veld niet ziet. Pinguicula baezensis komt van dezelfde rivieroever en is alleen met de beschrijving in de hand te scheiden. P. benedicta is in de literatuur wel als mogelijk dezelfde soort ter sprake gebracht. Praktische raad voor de veldganger: noteer de vindplaats nauwkeurig en fotografeer bloem, spoor en blad van opzij, en laat de naam over aan wie de beschrijvingen bij de hand heeft.

De val en hoe hij werkt

Als lijmvanger werkt de soort als elk vetblad. Op het blad staan twee soorten klieren: gesteelde, die een heldere kleefdruppel dragen, en zittende, die pas verteringsenzymen afgeven als er werkelijk een prooi op ligt. Kleine insecten die op het blad landen of erop worden geblazen, blijven plakken; hoe meer ze bewegen, hoe meer klieren ze raken. Bij de bredere bladeren van dit soort rozetten rolt de bladrand langzaam naar de prooi toe, zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan. In een beekdal is het aanbod groot: dansmuggen, steltmuggen en ander klein vliegend goed dat boven stromend water zwermt.

Standplaats en ecologie

De bekende standplaats is de oever van een bergrivier: permanent vochtige, beschaduwde tot halfbeschaduwde rots- en aardwanden die door spatwater en kwel nooit uitdrogen. Dat is de klassieke niche van de Cubaanse vetbladen — een smalle strook langs het water, waar de bodem steeds wordt schoongespoeld en er voor gewone kruiden te weinig achterblijft. Het geëtiketteerde materiaal komt van ongeveer honderdvijfenvijftig meter hoogte, dus uit het lage bergland en niet uit de hooggelegen nevelwouden. Het omringende landschap is dat van het Moa–Baracoa-massief, met zijn mineraalarme, metaalrijke bodems. Zo'n oeverstrook is bovendien een dynamisch milieu: bij elke stortbui verschuiven zand en steen, worden planten weggespoeld en komt elders kale bodem vrij. Soorten die er standhouden, leven daarom eerder als een verschuivend mozaïek dan als een vaste populatie.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba en voor zover bekend beperkt tot de provincie Guantánamo, gemeente Baracoa: de oevers van de Báez tussen Camarones en Mina Amores. Recente gegevens uit Cubaanse soortenmonitoring plaatsen de soort binnen het Nationaal Park Alejandro de Humboldt, een van de best beschermde gebieden van het Caribisch gebied. Het gaat dus om een areaal dat met een paar rivierkilometers is beschreven — het soort verspreiding dat in dit geslacht op Cuba eerder regel dan uitzondering is.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Bij een soort die alleen van een korte rivierstrook bekend is, is er ook weinig ruimte voor geografische variatie: wat varieert, is grootte naar standplaats, met forsere rozetten op de permanent natte, beschaduwde delen en kleinere op plekken die in de droge maanden even opdrogen. De belangrijkste openstaande vraag is geen vormvraag maar een taxonomische: de afgrenzing tegenover enkele nauw verwante Cubaanse vetbladen is nog niet in alle opzichten uitgekristalliseerd. Wat het onderzoek bemoeilijkt is dat de bloemen klein zijn en snel verwelken, terwijl juist bloemmaten het onderscheid dragen. Voor de gids betekent dat: gebruik de naam met voorbehoud, en beschouw elke goed gedateerde en gefotografeerde vondst als een bouwsteen voor de definitieve indeling.

Waar en wanneer te zien

Zoek langs de rivier zelf en niet op de hellingen erboven: de strook waar het water bij hoog debiet tegenaan slaat en waar mos en levermos het hele jaar groen blijven. Ga laag en kijk tegen het licht in, zodat de klierdruppels oplichten. De beste kans op bloeiende planten is in het voorjaar, wanneer de meeste Oost-Cubaanse vetbladen in bloei staan. Het gebied ligt in een nationaal park; ga met een gids en met toestemming, en laat de planten staan — verzamelen is hier zinloos en schadelijk.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is genoeg om voorzichtig te zijn: een endeem dat alleen van een korte strook rivieroever in Oost-Cuba bekend is, met een oppervlakte die in hectaren is uit te drukken. Dat de bekende vindplaats binnen een nationaal park valt, is de belangrijkste gunstige factor; de ongunstige zijn mijnbouw en ontbossing in de bredere regio en de gevoeligheid van zulke oeverpopulaties voor veranderingen in waterafvoer en voor uitzonderlijke overstromingen. Het ontbreken van een categorie betekent hier vooral dat niemand het dossier nog heeft opgemaakt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula bissei | Casper, 2004

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2004, in Wulfenia 11: 1–13. Het typegebied ligt in het oosten van Cuba, in de provincie Guantánamo, in de Alturas de Baracoa bij Camarones, aan de oevers van de rivier de Báez. De soortnaam bissei eert de Duitse botanicus Johannes Bisse, die in 1966 de Duits-Cubaanse samenwerking initieerde voor het onderzoek naar de flora van Cuba.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.