Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula algida
Pinguicula algida
Een vetblad van de Siberische toendra en het hooggebergte, in 1966 beschreven door de Russische botanicus Leonid Malysjev. De soortnaam betekent 'ijskoud', en dat is geen literaire overdrijving: Pinguicula algida groeit in een gordel waar de bodem grotendeels permanent bevroren is en waar het groeiseizoen nauwelijks twee maanden duurt.

Herkenning
Een kleine, vlakke rozet van gaafrandige, kleverige bladeren die plat op het mos of de kale, natte grond liggen, met de bovenkant bedekt met gesteelde en zittende klieren. Uit het hart komt een korte bloemsteel met één tweelippige bloem met een spoor aan de achterzijde. De soort staat dicht bij Pinguicula alpina en P. spathulata en deelt met beide het lichte, weinig opvallende bloemtype van de noordelijke groep. Deze gids neemt voor deze soort geen maten op: de oorspronkelijke beschrijving staat in een Russisch systematisch tijdschrift dat voor de meeste lezers niet toegankelijk is, en betrouwbare cijfers uit ander, controleerbaar werk ontbreken. De plant overwintert als winterknop onder de sneeuw.
Gelijkende soorten
In hetzelfde gebied komen drie andere kleine noordelijke vetbladen voor, en die zijn de reële verwarringskans. Pinguicula villosa is te herkennen aan de duidelijk behaarde bloemsteel — het enige kenmerk dat men ook zonder bloem en zonder literatuur kan gebruiken. P. spathulata heeft een opvallend driekleurige bloem, wit met geel en blauw, en spatelvormig blad met een gewimperde rand. P. alpina is groter, geelgroen van blad en heeft een witte bloem met gele vlekken. Wie in Siberië een vetblad vindt, doet er goed aan bloem, blad en standplaats te fotograferen en de naam pas achteraf te bepalen.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval met een extreem korte bedrijfstijd. In de Siberische toendra en het subalpiene gebergte ligt acht tot tien maanden per jaar sneeuw; wat de plant in de resterende weken vangt, moet de hele cyclus van bloei, zaadzetting en de aanleg van een nieuwe winterknop bekostigen. Het mechanisme is dat van het geslacht: gesteelde klieren met een kleefdruppel, zittende klieren die verteringsenzymen afscheiden zodra er een prooi op ligt, en een bladrand die zich langzaam over de vangst omrolt. Het aanbod is in juli overweldigend — de noordelijke toendra levert wolken van muggen en dansmuggen — maar het seizoen is kort en de vertering verloopt bij lage temperaturen traag.
Standplaats en ecologie
Open, natte grond in de subalpiene en subarctische gordel: hellingen boven de boomgrens met een dunne mos- en zeggenlaag (R5), veenmosveen en natte toendra (W1), en basenrijkere zeggenveentjes en kwelplekken langs bergbeken (W2). De ondergrond is permanent nat tijdens het groeiseizoen, koud en arm; onder veel van deze standplaatsen ligt permafrost, die het smeltwater aan de oppervlakte houdt. Hoge vegetatie is er niet, want het klimaat laat die niet toe — de plant hoeft geen concurrentie te ontwijken, ze woont gewoon waar bijna niets anders groeit.
Verspreiding en hoogte
Centraal- en Oost-Siberië tot in het Russische Verre Oosten, met opgaven uit onder meer de regio's Krasnojarsk, Tsjita en Amoer, uit Magadan en uit Jakoetië. De soort komt daarmee vrijwel volledig binnen Rusland voor, maar over een gebied dat groter is dan Europa. Dat het areaal beperkt blijft tot één land betekent hier dus geen klein verspreidingsgebied. Binnen die gordel volgt de plant de natte plekken in het gebergte en de toendra; de tussenliggende taiga en droge hoogvlakten zijn voor haar ongeschikt.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Zoals bij de meeste noordelijke vetbladen is de soort over een enorm gebied opvallend eenvormig; wat wisselt, is vooral de grootte van de rozet en de lengte van de bloemsteel, die op blootgestelde plekken korter blijft. Het soortbegrip in deze groep is intussen niet overal even vast: P. algida, P. spathulata en P. alpina zijn nauw verwant en Russische en westerse floras hebben ze niet altijd op dezelfde manier begrensd. Natuurlijke hybriden zijn voor deze soort niet beschreven.
Waar en wanneer te zien
Dit is een soort voor wie toch al in Noordoost-Siberië is. Zoek in juli, kort na de sneeuwsmelt, op de natte hellingen boven de boomgrens en langs de randen van toendraveentjes en bergbeken. De rozetten zijn klein en groen op groen; het bloempje op zijn steeltje verraadt ze. Ga laag bij de grond en kijk met strijklicht, dan lichten de klierdruppels op. De ondergrond is hier vaak drassig en kwetsbaar; loop over stenen of over de droge bulten en niet dwars door de natte zones.
Staat van instandhouding
De soort is op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst beoordeeld als niet bedreigd en staat niet in CITES. Dat is bij dit areaal begrijpelijk: het gaat om een gordel van duizenden kilometers door Siberië en het Russische Verre Oosten, grotendeels in dunbevolkt gebied waar landbouw en bebouwing nauwelijks een rol spelen. De risico's die er zijn, liggen dan ook niet in directe vernietiging maar in de bodem zelf. Het dooien van de permafrost verandert de waterhuishouding van precies de natte toendra- en berghellingen waar de plant groeit: waar het smeltwater wegzakt in plaats van aan de oppervlakte te blijven, verdwijnt de standplaats. Dat effect is over een groot gebied moeilijk te meten en komt in de huidige beoordeling nog niet terug.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula algida | Malyschev, 1966
Beschreven door Leonid Malyschev in 1966. Het typegebied ligt in Siberië, waar de soort in koude, natte bergomgevingen voorkomt. De soortnaam algida is Latijn voor "koud, ijzig" en verwijst naar de koude, noordelijke groeiplaatsen van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.