Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula mesophytica

Pinguicula mesophytica

Een vetblad dat je niet aan je voeten maar boven je hoofd moet zoeken: Pinguicula mesophytica groeit als epifyt op bemoste boomstammen in het nevelwoud van Midden-Amerika, en pas in de tweede plaats op natte rotsen. De diep tweelippige, roodpurperen bloem met een spoor van bijna twee centimeter hangt dan op ooghoogte of hoger tussen de mossen en varens, en is van een afstand vaak eerder te zien dan de plant zelf.

Pinguicula mesophytica
Foto: Hermes Vega — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

De rozet bestaat uit twee series bladeren. De zomerbladeren zijn gesteeld en omgekeerd eirond tot bijna rond, 12 tot 27 mm lang en 10 tot 25 mm breed, dun en met de gebruikelijke glanzende klierdruppels. De winterbladeren zijn veel kleiner, spatelvormig, 5 tot 9,5 mm lang en 2 tot 3,5 mm breed, en vormen een dicht knopje. De bloem is het opvallendste kenmerk: 25 tot 40 mm lang inclusief het spoor, roodpurper, diep tweelippig, met bijna ronde slippen aan de bovenlip. De bloembuis zelf is heel kort en trechtervormig, 3 tot 4 mm, waarna een priemvormig, teruggebogen spoor van 14 tot 20 mm volgt — veel langer dan de buis, en dat maakt de bloem uit de verte herkenbaar als een gekleurde vlinder met een lange staart.

Gelijkende soorten

Binnen het Midden-Amerikaanse bergland is Pinguicula moranensis de vergelijkingssoort: ook grootbloemig en purper, maar met een langere, duidelijk trechtervormige bloembuis en een steviger rozet, en vrijwel altijd op de grond of op rotsen in plaats van op bomen. Pinguicula hemiepiphytica uit Oaxaca lijkt in levenswijze op onze soort maar staat verder noordelijk en heeft een andere bloemvorm. In de praktijk is de combinatie van epifytische groeiwijze, zeer korte bloembuis en zeer lang, teruggebogen spoor voldoende. De minuscule P. crenatiloba, die in hetzelfde bos op de grond kan staan, is onmogelijk te verwarren.

De val en hoe hij werkt

De zomerbladeren zijn de val. Gesteelde klieren dragen een kleefdruppel die in het nevelwoud vrijwel nooit uitdroogt, en zittende klieren geven verteringsvocht af zodra er een prooi op ligt; de bladrand rolt zich daarbij traag over de vangst om het vocht vast te houden. Voor een epifyt is dit geen luxe. Een plant op een boomstam heeft geen enkele toegang tot bodemvoedsel en moet het hebben van wat er uit de lucht komt: de mineralen in regen- en nevelwater en de stikstof uit gevangen insecten. In dit milieu bestaat de vangst vooral uit kleine tweevleugeligen, bladvlooien en vliegende mieren die zich in de windluwe stamzone ophouden.

Standplaats en ecologie

Nevelwoud tussen ruwweg 1300 en 2400 m, in bos met meerdere lagen, veel klimplanten en veel epifyten, met Hedyosmum, Liquidambar, Persea en dennen. De planten zitten op mos op door de wind bestreken boomstammen, of als rotsbewoner bij natte plekken en watervallen (R1). De constante nevel is de bepalende factor: het klierdek blijft werkzaam en de mosmat waarop de plant zit, blijft nat. Waar het bos wordt uitgedund en de nevel doorbreekt, verdwijnt de soort snel, omdat een epifyt geen bodemvocht als buffer heeft.

Verspreiding en hoogte

Midden-Amerika: El Salvador, Guatemala en Honduras, in het bergland op de grens van deze drie landen en in de aangrenzende vulkanische massieven; het typemateriaal komt van Montecristo in El Salvador. Hier is een duidelijke correctie op onze soortenlijst nodig: die vermeldt Mexico, maar de soort is uit Mexico niet bekend, en zowel de beschrijving als Kew beperken het areaal tot de drie genoemde landen. De soort is dus niet endemisch in één land, maar wel beperkt tot een tamelijk klein bergachtig gebied, waarin de populaties over een handvol toppen verdeeld zijn — wat in de praktijk neerkomt op een eilandverspreiding.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. De soort is bekend van een beperkt aantal bergtoppen, en materiaal daarvan is te schaars om vormen betrouwbaar te onderscheiden; wat wisselt is vooral de grootte van de rozet, die op een beschutte stam groter uitvalt dan op een geëxponeerde, en de toon van het roodpurper. Dat verschillende populaties op gescheiden toppen leven, maakt het aannemelijk dat er genetische verschillen tussen de bergen bestaan, maar daar is geen gepubliceerd onderzoek over. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld.

Waar en wanneer te zien

Ga naar nevelwoud op een van de hoge toppen van het grensgebied van Guatemala, Honduras en El Salvador en kijk omhoog in plaats van omlaag: de eerste zes meter van dikke, bemoste stammen levert het meeste op, vooral aan de zijde die de wind en de nevel vangt. De roodpurperen bloem verraadt de plant, want de rozet zelf gaat volledig in de mosmat op. Ga op een nevelige ochtend, niet op een heldere middag; dan is de mosmat vol water, het klierdek glanst en de bloemen staan open. Een verrekijker is hier nuttiger dan een loep.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, schetst een kwetsbaar beeld: een beperkt areaal, verdeeld over een klein aantal geïsoleerde bergtoppen in drie landen, en een levenswijze die volledig afhangt van een permanent nevelig bos. Nevelwoud in dit deel van Midden-Amerika staat onder druk door kap, koffieteelt en branden, en bovendien schuift de nevelzone bij een opwarmend klimaat naar boven — voor soorten die al op de toppen zitten, is er dan geen uitwijkmogelijkheid meer. Verzamelen voor de plantenhandel speelt eveneens. Dat er geen internationale categorie is, komt doordat de soort nooit is getoetst; het zegt niets over de toestand van de populaties.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula mesophytica | Zamudio, 1997

Beschreven door Sergio Zamudio in 1997, in het artikel "Una especie nueva de Pinguicula (Lentibulariaceae) de Centroamérica", Acta Botánica Mexicana 40: 65–69. De typelocatie ligt in El Salvador, departement Santa Ana, Montecristo, in een vochtig deel van het nevelwoud. De naam "mesophytica" verwijst naar de groeiplaats: het vochtige, gelaagde nevelwoud ("mesofiel bergwoud") met veel klimplanten en epifyten waarin deze soort voorkomt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.