Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula martinezii
Pinguicula martinezii
Een wit bloeiend vetblad van de kalkwanden in het nevelwoud van de Sierra Madre Oriental, pas in 2005 beschreven en genoemd naar de Mexicaanse botanicus Maximino Martínez. Pinguicula martinezii is het hooggelegen, kleinbloemige tegenbeeld van de algemeen bekende P. agnata: dezelfde smalle, lichtgroene bladeren, maar een compactere winterrozet, kleinere bloemen en een standplaats die duizend meter hoger begint.

Herkenning
Een soort met twee gedaanten. De zomerrozet bestaat uit (6)8 tot 14 dunne, smal spatelvormige bladeren van 50 tot 100 mm lang en 13 tot 25 mm breed, met een licht omgekrulde rand en een bovenzijde die van de klierdruppels glanst. De winterrozet is compact en gedrongen en telt (16)20 tot 38 vlezige, spatelvormige tot langwerpig spatelvormige blaadjes van 8 tot 30(40) mm lang en 3,5 tot 15 mm breed. De bloemstelen zijn 60 tot 115 mm hoog. De bloem is wit met een violet aangelopen rand en meet 13 tot 25(30) mm inclusief het spoor; dat spoor is kort, 2,5 tot 5 mm. De bloei valt in februari tot begin april, aan het eind van de droge tijd en dus vóór de zomerbladeren goed en wel zijn uitgegroeid.
Gelijkende soorten
De soort waarmee hij vergeleken moet worden is Pinguicula agnata, die hetzelfde gebergte bewoont. Drie verschillen zijn in het veld bruikbaar: de winterrozet van P. martinezii is compact en telt 16 tot 38 blaadjes, waar die van P. agnata losser is; de zomerbladeren zijn smaller (50 tot 100 mm lang tegen 35 tot 110 mm bij P. agnata, maar duidelijk minder breed); en de bloem is kleiner, 13 tot 25 mm tegen 20 tot 34 mm. Bovendien is de hoogteligging een sterke aanwijzing: P. martinezii staat tussen 2000 en 2370 m, P. agnata van 350 tot ongeveer 2000 m. Grootbloemige soorten met een lang spoor, zoals P. moranensis, vallen direct af.
De val en hoe hij werkt
De smalle zomerbladeren vormen de val. Over het hele bovenvlak staan gesteelde klieren die een heldere kleefdruppel dragen, en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen afscheiden wanneer een prooi contact maakt. Een vliegje dat op het glinsterende blad landt, blijft plakken; door te spartelen raakt het steeds meer druppels aan en komt tegelijk een trage groeireactie op gang waarbij de bladrand zich enkele millimeters over de prooi buigt en het verteringsvocht vasthoudt. Op een vochtige kalkwand in het nevelwoud bestaat de vangst uit dansmuggen, kleine vliegen en vliegende mieren. De winterrozet vangt niet: die blaadjes zijn dik en vrijwel klierloos en dienen om de droge maanden door te komen.
Standplaats en ecologie
Kalkrotswanden in het bosque mesófilo de montaña tussen 2000 en 2370 m hoogte. De planten zitten op richels en in spleten van steile kalkwanden (R2) waarover in de natte maanden water sijpelt en die de rest van het jaar door nevel vochtig worden gehouden (R1), meestal in halfschaduw onder het bladerdak (B1). Het is een standplaats met heel weinig bodem: een laagje mos en verweerd gruis op kaal gesteente, waar vrijwel alleen mossen, varentjes en enkele epifyten het uithouden. Juist daar loont vleeseterij, omdat het doorsijpelende water alle voedingsstoffen wegvoert.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Sierra Madre Oriental van Mexico. De soort werd beschreven van Llano Chiquito in de staat Querétaro; daarmee is hij een van de vele vetbladen die in het Querétaro-Hidalgo-blok van de Sierra Madre Oriental hun enige bekende vindplaats hebben. De soortenlijst van de gids geeft voor deze soort alleen 'Mexico' — de beschrijving preciseert dat tot Querétaro, en dat is de opgave die wij aanhouden. Het bekende areaal is klein en bestaat uit enkele kalkmassieven; gezien de ontoegankelijkheid van het gebied en het late beschrijvingsjaar kunnen er nabijgelegen populaties zijn die nog niet zijn opgetekend.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen wilde variëteiten beschreven. De soort is bekend van een beperkt aantal dicht bijeen gelegen kalkwanden binnen één hoogtegordel, en dat biedt weinig ruimte voor uiteenlopende vormen. Waargenomen variatie betreft vooral de hoeveelheid violet in de bloemrand, die van bijna zuiver wit tot duidelijk violet omrand loopt, en het aantal bloemstelen per plant. Binnen de sectie Agnata zijn natuurlijke hybriden tussen verwante soorten bekend waar verspreidingsgebieden elkaar raken, maar voor deze soort zijn ze niet gemeld; de hoogte waarop hij staat, houdt hem gescheiden van P. agnata.
Waar en wanneer te zien
Maart is het moment: dan staat de soort op zijn hoogtepunt in bloei terwijl het nevelwoud nog in de droge tijd zit en de paden begaanbaar zijn. Zoek langs kalkwanden en insnijdingen op tweeduizend meter en hoger, in halfschaduw, en kijk vooral naar de onderste twee meter van de wand en naar overhangende richels waar het water langs loopt. Het wit van de bloem springt tegen donker, nat gesteente goed in het oog; de rozet zelf is lichtgroen en gaat tussen het mos op. Blijf van de wand af en klim er niet in: de planten wortelen in een dun moslaagje dat bij aanraking loslaat.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, komt neer op weinig: enkele populaties op kalkwanden in één deel van de Sierra Madre Oriental, met een totaal bekend areaal van hooguit enkele tientallen vierkante kilometers. De bedreigingen zijn die van het nevelwoud van Querétaro en Hidalgo in het algemeen — kap, omzetting naar weiland en koffie, en wegwerkzaamheden die precies de vochtige rotswanden raken waar de soort op zit. Daarnaast worden recent beschreven Mexicaanse vetbladen stelselmatig in het wild verzameld voor de handel. Het ontbreken van een categorie betekent hier dat de soort nooit is getoetst, niet dat er geen reden tot zorg is.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula martinezii | Zamudio, 2004
Beschreven door Sergio Zamudio in 2004 (formeel gepubliceerd 2005), in Acta Botánica Mexicana 70: 76. De soort komt voor in de Mexicaanse staat Querétaro. Wie precies met deze soortnaam wordt geeerd, kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.