Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula calderoniae
Pinguicula calderoniae
Pinguicula calderoniae hoort bij de hooggelegen graslanden van de Sierra Madre Oriental, op de grens van de Mexicaanse staten Querétaro en San Luis Potosí. De soort werd in 2001 door Sergio Zamudio beschreven en vernoemd naar de Mexicaanse botanica Graciela Calderón. Het is een plant van open, vochtige vlakjes tussen cipressen- en eikenbos, op karstige kalkbodem, op ruim tweeduizend meter hoogte.

Herkenning
Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren met het voor vetbladen kenmerkende klierdek, dat het blad in schuin licht nat laat lijken en vettig doet aanvoelen. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen met elk één tweelippige bloem met spoor. Betrouwbare, toetsbare maten van rozet en bloem zijn voor deze gids niet gevonden; de oorspronkelijke beschrijving staat in een Mexicaans botanisch tijdschrift uit 2001 dat niet openbaar toegankelijk is. In het veld herken je de plant dus vooral aan geslacht, standplaats en hoogte, en moet de soortnaam bij twijfel worden nagetrokken.
Gelijkende soorten
De Sierra Madre Oriental is het rijkste vetbladgebied van Mexico, en in dit deel ervan staan meerdere soorten binnen bereik. Het belangrijkste onderscheid loopt via de bloem — kleur, verhouding tussen kroonbuis en spoor, vorm van de onderlip — en die kenmerken zijn zonder de beschrijvingen niet af te lezen. Praktische raad: noteer hoogte, bodemtype en omringende vegetatie, fotografeer de bloem van voren én van opzij, en leg de rozet in zijn geheel vast. In dit gezelschap is een goed gedocumenteerde waarneming meer waard dan een snelle naam.
De val en hoe hij werkt
De val is de standaard vetbladval: gesteelde klieren met een kleefdruppel, zittende klieren die pas verteringsenzymen afgeven als er een prooi op rust, en een bladhuid die het opgeloste voedsel weer opneemt; vaak rolt de bladrand daarbij langzaam naar de prooi toe. Op ruim tweeduizend meter, in een grasland met koude nachten en een uitgesproken nat en droog seizoen, is de vangst vooral een zaak van de warme uren en van het regenseizoen. De insecten die er te halen zijn, zijn klein: muggen, vliegjes en wat er over de grond loopt. De rozet heeft in zo'n grasland bovendien last van iets wat op natte rotsen geen rol speelt: opgroeiend gras dat het licht wegneemt en dood plantaardig materiaal dat op het klierdek valt en het buiten werking stelt. Kortgehouden, open plekken zijn daarom een voorwaarde.
Standplaats en ecologie
Open, vochtige graslandjes ingebed in bos van cipres en eik, en in de overgang naar nevelbos, op karstige kalkhellingen. De etiketten van het typemateriaal beschrijven precies die combinatie: grasland tussen cipressen- en eikenbos en nevelbos, op kalkachtige karstige hellingen. Kalkkarst betekent hier snel wegzakkend water en dunne bodems, en de open graslandjes staan juist op de plekken waar dat water aan de oppervlakte blijft — kleine natte vlakjes in een verder droog landschap.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het oosten van centraal Mexico: de Sierra Madre Oriental op de grens van Querétaro en San Luis Potosí, met vindplaatsen als Llano Chiquito in de gemeente Landa de Matamoros en Llano del Conejo bij Xilitla. Het bekende areaal beslaat een handvol hooggelegen graslandjes op ongeveer eenentwintig- tot drieëntwintighonderd meter. Het is dus een lokale endeem van één bergzone, niet van een heel land. De twee bekende gebieden, Llano Chiquito en Llano del Conejo, liggen hemelsbreed niet ver uit elkaar en behoren tot hetzelfde karstlandschap; het beeld is dus eerder dat van één populatiecluster dan van twee gescheiden arealen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Bij een soort die van twee aangrenzende gebieden bekend is, is de bandbreedte van de variatie nog onvoldoende in kaart gebracht; wat op etiketten verschilt, is vooral de begeleidende vegetatie en de exacte hoogte. Mexicaanse vetbladen zijn als groep nog volop in beweging — er zijn de afgelopen decennia tientallen nieuwe soorten beschreven — en het is niet uitgesloten dat nieuw werk ook binnen deze soort onderscheid aanbrengt.
Waar en wanneer te zien
Zoek op de kleine, natte graslandvlakjes tussen het cipressen- en eikenbos, en niet in het bos zelf: open, kort begroeid terrein met sijpelend water is waar vetbladen in dit landschap staan. Het regenseizoen is de tijd om te gaan, wanneer de vlakjes daadwerkelijk vochtig zijn. Ga door de knieën en gebruik strijklicht; de rozet is klein en verdwijnt tussen het gras. Noteer alles wat je ziet — de soort is weinig gedocumenteerd, en een goede waarneming met foto's is hier een echte bijdrage.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Mexicaanse endeem van enkele hooggelegen graslandjes in de Sierra Madre Oriental, verspreid over twee aangrenzende deelstaten. Zulke kleine, natte open plekken in een bosrijk berglandschap zijn kwetsbaar voor begrazing, omzetting in weiland, waterwinning en veranderingen in het regenpatroon. Het aantal gedocumenteerde vindplaatsen is klein en het aantal recente waarnemingen beperkt; een beoordeling ontbreekt, en dat is hier vooral een oproep tot veldwerk. Zolang de beschrijving niet vrij toegankelijk is, blijft ook het veldwerk hinken op twee gedachten: je kunt de plant vinden, maar de naam pas bevestigen met literatuur die niet iedereen kan inzien.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula calderoniae | Zamudio, 2001
Beschreven door Sergio Zamudio in 2001, in Boletín de la Sociedad Botánica Mexicana 68: 85. Het typegebied ligt op twee plekken in Mexico: bij Llano Chiquito in de gemeente Landa (Querétaro) en bij Llano del Cornejo in de gemeente Xilitla (San Luis Potosí). De soortnaam calderoniae eert de Mexicaanse botanica Graciela Calderón de Rzedowski.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.