Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula balcanica

Pinguicula balcanica

In de bergen van het Balkanschiereiland staat een wit vetblad dat lang voor een zuidelijke uitloper van Pinguicula alpina werd aangezien. Pinguicula balcanica is een kleine, laagblijvende plant van natte bergweiden, kalkmoerasjes en sijpelende hellingen, en hij is met zijn vier tot vijf centimeter een van de bescheidenste soorten in deze gids.

Pinguicula balcanica
Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula balcanica — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Petr Dlouhý — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula balcanica — de bloem
De bloem · Foto: Petr Dlouhý — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula balcanica — de standplaats
De standplaats · Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, langwerpig eivormige bladeren die geelgroen tot lichtgroen zijn, vettig aanvoelen en aan de rand omkrullen. De bloeistengels zijn kort: vier tot vijf centimeter, zelden tien, en dragen elk één bloem die daardoor vrijwel op de vegetatie rust. De kroon is tweelippig en wit tot ivoorwit, met gele tekening in de keel die naar binnen wijst; de bovenlip is tweelobbig, de onderlip drielobbig. De spoor is kort en recht. De bloei loopt van mei tot in augustus en schuift met de hoogte mee: laag in de bergen in mei, op de hoogste standplaatsen pas in juli of augustus. Na de bloei trekt de plant zich terug in een winterknop.

Gelijkende soorten

De belangrijkste verwarring is met Pinguicula alpina, die er sterk op lijkt en in delen van de Balkan ook voorkomt; P. balcanica is kleiner, blijft lager en heeft een andere spoor- en bladverhouding. Met Pinguicula vulgaris, die in dezelfde bergen groeit, is verwarring uitgesloten zodra de plant bloeit: die heeft een violette tot blauwpaarse bloem met een lange, spitse spoor. De derde kandidaat is Pinguicula hirtiflora, die in lager gelegen delen van de Balkan op druipende kalkwanden staat en veel groter is, met een kroon van bijna twee centimeter en een lange spoor.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval zonder zichtbare snelle beweging. Het blad draagt gesteelde klieren met een kleverige druppel en zittende klieren die enzymen leveren zodra er prooi op ligt. Wat blijft plakken is klein: dansmuggen, vliegjes en springstaarten die in een nat bergweitje in wolken voorkomen. Bij prooicontact rolt de bladrand zich over de vangst heen, zodat het verteringsvocht niet van het blad af loopt; daarna strekt het blad zich weer. De opbrengst is voor deze plant niet marginaal maar noodzakelijk: de standplaatsen zijn doorstroomd en daardoor arm, en de kalk in het water levert geen stikstof.

Standplaats en ecologie

Natte, basenrijke bergmilieus: kleine kalkmoerasjes en zeggenveentjes, kortgrazige natte bergweiden en hellingen waar bronwater over het gesteente trekt. De soort verdraagt geen droogte en geen dichte, hoge vegetatie; ze staat waar de zode open blijft doordat het water de voedingsstoffen wegspoelt of doordat vee de groei kort houdt. In de Bulgaarse en Macedonische bergen ligt het zwaartepunt in de subalpiene gordel, met standplaatsen tot boven de boomgrens, maar ook lager op doorweekte hellingen en langs beekjes.

Verspreiding en hoogte

Een endemeet van het Balkanschiereiland. In Bulgarije is de soort bekend uit het westelijke en middelste deel van de Stara Planina, van de Vitosja, van Rila en Pirin, uit de westelijke en middelste Rodopen en uit de grensbergen in het westen; daarbuiten komt hij voor in de bergen van Noord-Macedonië, Servië en aangrenzende landen. Het areaal is dus behoorlijk uitgestrekt in de lengte maar in de praktijk sterk verbrokkeld: de plant staat alleen daar waar een natte, basenrijke plek in het bergland overblijft, en die plekken liggen soms tientallen kilometers uit elkaar.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 28 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De taxonomische geschiedenis is wel rommelig: de Balkanpopulaties zijn lange tijd tot P. alpina gerekend en pas later als aparte soort beschreven, en in de literatuur duiken de oude namen nog steeds op. Binnen het areaal verschilt vooral de plantgrootte met de natheid en de hoogteligging; planten van open, windgeschuurde hellingen blijven klein en bloeien laag, planten in beschutte veentjes worden ruimer. De gele tekening in de keel varieert in omvang. Waar de soort met P. vulgaris samen groeit zijn tussenvormen gemeld, maar die zijn slecht gedocumenteerd.

Waar en wanneer te zien

Juni is in de Bulgaarse bergen doorgaans de beste maand; hoger in Rila en Pirin schuift de bloei naar juli. Zoek langs sijpelende hellingen, kwelplekken en de randen van kleine bergveentjes, niet op de droge weide. Ga laag bij de grond zitten: de bloem staat maar een paar centimeter hoog en gaat tussen de zeggen volledig schuil. Een witte bloem in een groen, nat weitje is van dichtbij goed te zien, maar rechtop staand loop je er zonder meer overheen. Neem de tijd om ook de rozetten te bekijken — zonder bloem verraadt alleen het glimmende klierdek de plant.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst; er is dus geen internationale categorie, en CITES is niet aan de orde. In Bulgarije geniet hij geen wettelijke bescherming, terwijl hij daar wel als endemeet van het schiereiland wordt erkend. Wat bekend is, geeft een gemengd beeld: het aantal bekende vindplaatsen in de grotere bergmassieven is redelijk, maar elke afzonderlijke standplaats is klein en volledig afhankelijk van een constante kwelstroom. De risico's zijn de gebruikelijke voor dit soort milieus: het vatten van bronnen, ontwatering en bemesting van bergweiden, en het dichtgroeien van kortgrazige standplaatsen zodra de traditionele beweiding verdwijnt. Het ontbreken van een beoordeling is hier vooral een leemte.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula balcanica | Casper, 1962

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 1962, in Repertorium Specierum Novarum Regni Vegetabilis 66: 105. De soort komt voor in de bergketens van Zuidoost-Europa, waaronder Albanië, Noord-Macedónië en Bulgarije; de zuidelijkste vindplaats, het Vardoussia-gebergte in Midden-Griekenland, werd pas in 1995 ontdekt. De soortnaam balcanica verwijst naar het Balkanschiereiland, waar deze alpiene soort endemisch is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.