Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula leptoceras

Pinguicula leptoceras

Wie in de Alpen op zoek gaat naar een vetblad met een grote, donkerblauwe bloem, vindt meestal deze. Pinguicula leptoceras is de alpiene tegenhanger van het gewone vetblad: een plant van natte hellingen, kalktufwanden en kleine bergveentjes in de subalpiene en alpiene gordel, met een bloem die voor het formaat van de plant onevenredig groot is.

Pinguicula leptoceras
Foto: Franz Xaver — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula leptoceras — de bloem
De bloem · Foto: Meneerke bloem — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula leptoceras — de standplaats
De standplaats · Foto: Meneerke bloem — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, langwerpig eivormige bladeren die lichtgroen zijn en vettig aanvoelen; de omgerolde bladrand is vaak onderbroken in plaats van gelijkmatig, wat een nuttig kenmerk is. Uit het hart komen één tot enkele kale bloemstelen met elk één bloem. De kroon is donker blauwviolet en met de spoor meegerekend anderhalf tot drie centimeter lang — royaal voor een vetblad. Op de onderlip staan meestal één tot drie witte vlekken die naar de keel wijzen, en de slippen van die onderlip zijn rondachtig en overlappen elkaar gedeeltelijk, zodat de bloem vol en gesloten oogt. Bloeitijd juni tot augustus, afhankelijk van hoe laat de sneeuw wijkt.

Gelijkende soorten

De soort waarmee het misgaat is Pinguicula vulgaris, die in de Alpen op vergelijkbare standplaatsen groeit. Bij P. vulgaris zijn de slippen van de onderlip smaller en staan ze los van elkaar, zodat er open ruimte tussen zit, en de bloem is gemiddeld kleiner. De onderbroken omkrulling van de bladrand bij P. leptoceras helpt ook. Pinguicula alpina, die vaak in hetzelfde veentje staat, is meteen te scheiden op bloemkleur: die is wit met gele vlekken en heeft een kort, geelgroen spoor. Waar de drie samen voorkomen, kunnen tussenvormen optreden.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval met een trage beweging. De bovenkant van het blad is bedekt met gesteelde klieren die een heldere kleefdruppel maken, en met zittende klieren die verteringsenzymen leveren zodra er een prooi op ligt. Een muggetje blijft plakken, het spartelen brengt meer klieren in contact, en in de uren daarna rolt de bladrand zich naar de prooi toe zodat het verteringssap in een ondiepe geul blijft staan in plaats van van de helling te lopen. De vangst bestaat vooral uit dansmuggen en andere kleine tweevleugeligen die in bronmilieus in dichte zwermen vliegen. Op een oud blad zijn de zwarte resten met het blote oog te tellen.

Standplaats en ecologie

Natte, meestal basenrijke bodems in de subalpiene en alpiene gordel: kleine laagveentjes en hellingveentjes, kalktufhellingen waar bronwater overheen sijpelt, en doorweekte bergweiden. De soort wil doorstroming — stilstaand, voedselrijk water is niets voor haar — en een open vegetatie. Ze is minder strikt aan kalk gebonden dan P. alpina en komt ook op neutraler substraat voor, maar droogte en beschaduwing zijn uitgesloten. In de zomer blijft de standplaats koel door het langs stromende smelt- en bronwater, en dat is waarschijnlijk de echte beperking.

Verspreiding en hoogte

De Alpen, over de volle lengte van de keten, met het zwaartepunt in de centrale en westelijke Alpen; in Zwitserland is de soort uit de alpiene biogeografische regio's bekend. Daarbuiten zijn er voorkomens in aangrenzend bergland tot in de noordelijke Apennijnen. De soort is dus geen endemeet van één massief, maar wel gebonden aan het hooggebergte: beneden de montane gordel ontbreekt ze. In Nederland en België komt ze niet voor; de dichtstbijzijnde populaties liggen in de Zwitserse en Franse Alpen.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 122 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De bloemkleur loopt uiteen van diep blauwviolet tot een lichtere paarse tint, en het aantal witte vlekken op de onderlip wisselt tussen nul en drie; beide zijn individuele variatie en geen taxonomisch houvast. Belangrijker zijn de natuurlijke hybriden: waar de soort samen met P. vulgaris of P. alpina groeit, zijn kruisingen beschreven met bloemen van tussenliggende kleur en spoorlengte. Die planten zijn doorgaans onvruchtbaar en horen in deze gids bij de ouders thuis.

Waar en wanneer te zien

Juni en juli in de subalpiene gordel, hoger in augustus. De beste zoekplekken zijn niet de open weide maar de natte randen: kwelhellingen, kalktufplekken die glanzen van het water, en de zoom van kleine veentjes waar kleine zeggen groeien. Een stevige, donkerblauwe bloem op een dunne steel is van een meter of vijf al te zien, dus loop langzaam en kijk over het natte terrein uit voordat je het betreedt. Ga daarna zitten om de bladrand te bekijken: juist die onderbroken omkrulling scheelt een determinatie.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd, en op de Zwitserse nationale rode lijst staat hij in de laagste zorgcategorie. Het areaal beslaat de hele Alpenketen en de meeste standplaatsen liggen in hooggebergte dat niet in cultuur is te brengen. Dat betekent niet dat er niets speelt: laaggelegen standplaatsen verdwijnen door het vatten van bronnen, ontwatering en bemesting van bergweiden, en veentjes in het skigebied lijden onder pistebouw en waterwinning voor kunstsneeuw. Op de langere termijn is het opschuiven van de sneeuwgrens de belangrijkste onzekerheid, want de soort hangt aan koel, doorstromend water. CITES is niet van toepassing.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula leptoceras | Reichenbach, 1823

Beschreven door Heinrich Gottlieb Ludwig Reichenbach in 1823, in Iconographia Botanica seu Plantae Criticae 1: 69. Het holotype komt van de Grimselberg in Zwitserland (Berner Alpen). De naam komt van het Grieks leptos (dun, smal) en keras (hoorn), en verwijst naar de spoor van de bloem. Latere waarnemers merkten op dat het niet helemaal duidelijk is waarom Reichenbach deze soort "dunspoor" noemde, want de spoor is ook op de typelocatie vaak juist relatief dik.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.