Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula poldinii

Pinguicula poldinii

Van alle Europese vetbladen is dit misschien het onwaarschijnlijkste: een soort die pas in 2001 werd beschreven, bekend van één dal in het noordoosten van Italië, en voor een groot deel groeiend op rotswanden die bij wegwerkzaamheden zijn ontstaan. Pinguicula poldinii is een witbloeiend vetblad met een wereldareaal ter grootte van een dorp.

Pinguicula poldinii
Foto: stefanippenberger — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, eivormige tot langwerpige bladeren die geelgroen zijn, vettig aanvoelen en aan de rand naar boven omkrullen. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één bloem. De kroon is tweelippig en wit tot bleek crèmewit, met gele tekening in de keel die het bezoekende insect naar binnen leidt; de spoor is kort en recht. De plant is klein en blijft laag: op de steile, natte wanden waar hij groeit hangt de rozet vaak schuin of bijna verticaal, vastgeklemd in een spleet of op een dun mospolster. Buiten het groeiseizoen trekt de plant zich terug in een compacte winterknop.

Gelijkende soorten

De soort hoort bij de groep witbloeiende vetbladen rond Pinguicula alpina en is daar in het veld nauwelijks van te scheiden zonder maten te nemen; het verschil zit in bloem- en spoorverhoudingen en in het chromosomenaantal. De geografie helpt: P. alpina staat in dezelfde streek hoger in de bergen, terwijl P. poldinii op nog geen vijfhonderd meter hoogte in een dalwand zit. Pinguicula vulgaris, die in Friuli eveneens voorkomt, heeft een violette bloem met lange spitse spoor en is dus meteen uit te sluiten zodra er wordt gebloeid.

De val en hoe hij werkt

Lijm, en verder geduld. De bladbovenkant draagt gesteelde klieren die een kleefdruppel maken en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er prooi op ligt. Op een natte rotswand bestaat het aanbod uit muggen, vliegjes en springstaarten die in de permanent vochtige lucht langs het gesteente rondhangen. De bladrand rolt zich na een vangst langzaam over de prooi, wat op een bijna verticale standplaats extra belangrijk is: zonder die kom loopt het verteringsvocht meteen weg. Alles wat de plant aan stikstof en fosfor nodig heeft moet uit die insecten komen, want de kale kalkrots levert niets.

Standplaats en ecologie

Steile, permanent natte rotswanden in een smal bergdal, op kalksteen, met water dat er het hele jaar overheen sijpelt. Opvallend is dat een deel van de standplaatsen niet natuurlijk is: het leefgebied waarin de soort werd ontdekt was voor een belangrijk deel ontstaan door graafwerk bij een bouwplaats, waarbij verse, natte rotswanden werden blootgelegd. Dat zegt iets over de ecologie van de plant: hij is een pionier van kaal, doorweekt gesteente en verdwijnt zodra er mos, gras en struweel overheen groeien. De hoogteligging is voor een vetblad laag, rond de vijfhonderd meter.

Verspreiding en hoogte

Eén dal in Friuli-Venezia Giulia in het noordoosten van Italië, in de voorbergen ten noordwesten van Udine, op ongeveer 450 tot 550 meter hoogte. Het volledige wereldareaal beslaat enkele hectaren. Dat maakt de soort tot een van de scherpst begrensde endemeten van Europa: er is geen tweede vindplaats in een aangrenzend dal, geen uitloper in Slovenië of Oostenrijk, niets. Hoe zo'n areaal ontstaat is niet helemaal duidelijk, maar het patroon is in de zuidelijke Alpen en de Apennijnen gebruikelijk: geïsoleerde, natte kalkwanden functioneren als eilanden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden — bij een populatie van deze omvang zou dat ook weinig betekenen. De variatie die er is, betreft plantgrootte en het aantal bloemen per rozet, en hangt samen met hoe nat en hoe beschut een stukje wand is. Omdat de soort pas in 2001 is beschreven en in oudere Italiaanse flora's onder P. alpina schuilging, is de kans reëel dat losse vermeldingen in de literatuur nog onder die oude naam staan. Kruisingen met andere soorten zijn niet gemeld; daarvoor staat er in de directe omgeving geen tweede vetblad.

Waar en wanneer te zien

Dit is geen soort om op eigen houtje te gaan zoeken. Het areaal is zo klein en de populatie zo geconcentreerd dat betreding van de wand zelf schade doet, en overbemonstering door verzamelaars wordt bij deze soort uitdrukkelijk als risico genoemd. Wie het gebied bezoekt, kijkt vanaf het pad of de weg naar de natte wanden met een verrekijker, in het voorjaar, wanneer de bleke bloemen tegen het donkere natte gesteente het best afsteken. Raak niets aan, graaf niets uit en laat geen sporen achter in de mospolsters onder aan de wand.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst; er is dus geen internationale categorie, en CITES is niet van toepassing. Wat wel bekend is, spreekt voor zich: het wereldareaal is één dal, de populatie is klein en geconcentreerd, en een deel van de standplaats is ontstaan door menselijk ingrijpen en kan door een volgend ingrijpen net zo goed weer verdwijnen. Daarbij wordt het wegnemen van planten door verzamelaars expliciet als bedreiging genoemd. Een soort met deze verspreiding zou bij een beoordeling vrijwel zeker in een hoge bedreigingscategorie vallen; dat die beoordeling ontbreekt, is een leemte in het dossier en geen geruststelling.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula poldinii | Steiger & Casper, 2001

Beschreven door Jürg Steiger en Siegfried Jost Casper in 2001. De soort is endemisch voor het Val d'Arzino, in Italië, waar hij groeit op 450–550 meter hoogte. Wie precies met de soortnaam wordt geeerd, kon niet met zekerheid worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.