Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula christinae
Pinguicula christinae
Aan de kam van de Noordelijke Apennijnen, op de natte hellingen waar Toscane in Emilia overgaat, staat een vetblad dat pas in 2013 een naam kreeg. Pinguicula christinae is een blauwbloeiende soort met een areaal van een handvol bergwanden, en hij is een goed voorbeeld van hoe veel er in Italië nog te vinden was toen men met moderne methoden ging kijken.

Herkenning
Een vlakke rozet van vijf tot negen bladeren die langwerpig tot driehoekig van vorm zijn en ongeveer anderhalf tot zeven en een halve centimeter lang worden — een flinke spreiding, want de voorjaarsbladeren zijn duidelijk kleiner dan de zomerbladeren. De bovenkant voelt vettig en glinstert van de klierdruppels; de rand is licht omgekruld. De bloem is blauw tot violet, soms lichtblauw, tweelippig, met een lichtere keel. Na de bloei staan rechtopstaande, eirond-kegelvormige doosvruchten van drie tot zeven millimeter, gevuld met netvormig gegroefde zaden van ongeveer zeven tiende millimeter. De plant overwintert als winterknop.
Gelijkende soorten
In de Noordelijke Apennijnen is de eerste kandidaat Pinguicula vulgaris, die op vergelijkbare natte plekken groeit en eveneens violet bloeit; voor een zekere determinatie moeten bloem- en zaadkenmerken worden vergeleken, en dat is werk voor de literatuur, niet voor het pad. Iets verder naar het zuidwesten, in de Apuaanse Alpen, staan P. apuana en P. mariae, die door hun eigen berggebieden ruimtelijk gescheiden zijn. Voor de veldgidslezer is de praktische boodschap: een violet vetblad op deze kam is deze soort, maar wie zekerheid wil moet de vindplaats noteren en niet de plant meenemen.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die traag maar effectief werkt. Op het blad staan gesteelde klieren met een kleverige druppel, en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen afscheiden zodra er prooi op ligt. Wat er blijft hangen is klein: muggen, vliegjes en springstaarten uit de vochtige lucht langs een sijpelende helling. De bladrand rolt zich in de uren na een vangst verder om, zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan en niet van de schuine wand af loopt. Omdat de standplaats door stromend water voortdurend wordt doorgespoeld, is er in de bodem nauwelijks stikstof te halen en is de vangst geen bijzaak.
Standplaats en ecologie
Natte, meestal kalkrijke bergwanden en hellingen waar bronwater doorheen trekt, met daarnaast doorweekte, kortgrazige plekken in de bovenste bosgordel en daarboven. De soort houdt van permanente vochtigheid en een open, weinig concurrerende vegetatie en staat daarom op plekken waar water het substraat kaal houdt of waar de zode dun blijft. Verruiging, beschaduwing en droogte zijn alle drie funest. De hoogteligging is die van de hogere Apennijnenkam; de precieze hoogtegrenzen zijn in de gangbare bronnen niet consistent opgegeven.
Verspreiding en hoogte
De Noordelijke Apennijnen, op de grens van Toscane en Emilia-Romagna: de soort is gemeld uit de provincie Pistoia en uit het aangrenzende bergland van Modena en Reggio Emilia. Het gaat om een Italiaanse endemeet met een klein, langgerekt areaal langs de hoofdkam. Belangrijk voor deze gids: onze eigen soortenlijst vermeldt bij dit taxon Bulgarije, en dat is onjuist — de soort is beschreven uit en bekend van Italië, en er zijn geen Balkanpopulaties. Wie in de literatuur zoekt, moet op de auteursnamen Peruzzi en Gestri letten.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat varieert is vooral de bladgrootte binnen het seizoen: de voorjaarsrozet is klein en compact, de zomerrozet aanzienlijk groter, en wie beide op hetzelfde moment in verschillende populaties ziet kan makkelijk denken met twee planten te maken te hebben. De bloemkleur loopt van lichtblauw tot vrij verzadigd violet. Omdat de soort pas kort geleden is afgesplitst, staan oudere vermeldingen uit dit gebied in de literatuur nog onder P. vulgaris; wie historische gegevens gebruikt moet daar rekening mee houden.
Waar en wanneer te zien
Zoek in juni en juli langs de natte randen van de hoofdkam: sijpelende wanden, kwelplekken onder rotsbanken, de bovenloop van beekjes. De plant is klein en de bloem staat laag; ga zitten en kijk tegen de helling in, dan steekt het violet af tegen het natte, donkere gesteente. Loop niet over de doorweekte zode zelf — de standplaatsen zijn klein en de rozetten zitten juist op de natste centimeters. Noteer de vindplaats en fotografeer bloem, blad en vrucht; dat is voor deze recent beschreven soorten waardevoller dan welke verzamelde plant ook.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst en heeft dus geen internationale categorie; CITES is niet aan de orde. Op nationaal niveau in Italië is hij wél gewogen en als gevoelig ingeschaald, net onder de drempel van bedreigd, en wettelijke bescherming geniet hij daar niet. Wat bekend is: een Italiaanse endemeet met een klein areaal langs één bergkam, in habitats die volledig afhangen van een constante kwelstroom. De risico's zijn het vatten van bronnen, het dichtgroeien van kortgrazige standplaatsen en betreding; daarbij komt dat een pas beschreven, gemakkelijk herkenbare soort bijzondere aandacht van verzamelaars trekt.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula christinae | Peruzzi & Gestri, 2013
Beschreven door Lorenzo Peruzzi en Gabriele Gestri in 2013, in Plant Biosystems 147(3): 692–703. Het typegebied ligt bij Foce di Campolino, in de provincie Pistoia in de noordelijke Apennijnen (Italië), in een veen op zure ondergrond op 1600 meter hoogte. De soortnaam christinae is opgedragen aan Cristina Gavazzi, de echtgenote van medebeschrijver Gabriele Gestri en zelf afkomstig uit de noordelijke Apennijnen.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.