Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula casperi
Pinguicula casperi
Een vetblad van de open eiken- en dennenbossen van de Sierra Madre Occidental, genoemd naar de Duitse Pinguicula-specialist Siegfried Jost Casper. Pinguicula casperi leeft in de maat van het Mexicaanse jaar: in de droge maanden ligt hij als een bolvormig knopje onder de grond verscholen, en zodra de eerste regens vallen ontvouwt hij een rozet van brede, kleverige bladeren en schiet hij in enkele weken in bloei.

Herkenning
De winterrozet ligt onder de grond en is een compact, bolvormig knopje van 10 tot 25(30) mm, opgebouwd uit 20 tot 50 dikke, vlezige blaadjes; de buitenste daarvan zijn 14 tot 27(30) mm lang en (1)5 tot 16(20) mm breed, spits toelopend en met gewimperde randen. In de regentijd verschijnt daaruit een zomerrozet van slechts 4 tot 6 dunne, gesteelde bladeren die eirond-elliptisch zijn en 15 tot 60 mm lang en 11 tot 40 mm breed worden — beduidend breder dan bij verwante soorten. Er staan 2 tot 6 bloemstelen van 40 tot 135(150) mm. De bloem is wit tot zwak lila, 16 tot 25(30) mm inclusief het spoor, met vrijwel gelijkvormige slippen van 8,5 tot 13,5(15) mm en een korte, bijna cilindrische buis van 5 tot 8 mm; het spoor is groen en kort, 2 tot 4 mm. Bloei juni tot augustus.
Gelijkende soorten
De vergelijking die de beschrijving zelf maakt, is met Pinguicula parvifolia. Twee dingen scheiden ze: de zomerbladeren van P. casperi zijn veel breder (15 tot 60 bij 11 tot 40 mm, tegen 15 tot 50 bij 7 tot 15 mm), en de kelkslippen groeien bij het rijpen van de vrucht door en gaan elkaar overlappen, wat bij P. parvifolia niet gebeurt. Dat laatste is een prettig veldkenmerk, want het is ook nog te zien als de bloei voorbij is. Grootbloemige soorten met een lang spoor uit de sectie Orcheosanthus vallen meteen af: het spoor van deze soort is nauwelijks vier millimeter en groen.
De val en hoe hij werkt
De brede zomerbladeren zijn de vangbladen. Ze dragen gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen afscheiden wanneer er een prooi op ligt; de bladrand buigt zich in de uren daarna licht over de vangst heen, zodat het vocht blijft staan. Dat de plant precies aan het begin van de regentijd uitloopt, is geen toeval: dat is in de Mexicaanse bergen het moment waarop de insectenrijkdom explodeert, met zwermen dansmuggen, zweefvliegen en vliegende mieren. In de droge maanden vangt de plant niet — de ondergrondse knop heeft geen klieren en is uitsluitend een overlevingsorgaan.
Standplaats en ecologie
Open eikenbos en dennen-eikenbos met elementen van droog tropisch loofbos, tussen 1300 en 2722 m hoogte. De bodem is regosol over uitvloeiingsgesteente: een dunne, losse laag verweringsmateriaal op vulkanisch gesteente, die in de regentijd doorweekt raakt en in de droge tijd volledig uitdroogt (D4). De planten staan tussen gras en strooisel op open plekken en langs bosranden (B5), vaak op hellinkjes waar water na regen oppervlakkig afstroomt (R1). Het ondergrondse winterknopje is het antwoord op die extreme seizoenswisseling: zolang de bodem droog en heet is, is er bovengronds niets te zien.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in west- en noordwest-Mexico, bekend uit de staten Durango en Jalisco. Hier wijkt onze bevinding af van de soortenlijst van de gids, die Nuevo León opgeeft: de oorspronkelijke beschrijving noemt uitsluitend Durango en Jalisco, aan de westzijde van het land, ruim duizend kilometer van Nuevo León. De hoogtespreiding is voor een Mexicaans vetblad opmerkelijk groot — van 1300 tot bijna 2750 m — wat erop wijst dat de soort niet aan één bergzone gebonden is en dat er tussen de bekende vindplaatsen waarschijnlijk meer populaties liggen in de nog slecht doorzochte Sierra Madre Occidental.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wel is de variatie binnen de soort aanzienlijk, en dat hangt samen met de grote hoogtespreiding: planten van de laagste vindplaatsen blijven kleiner en bloeien eerder dan die van bijna 2700 m, en de bloemkleur loopt van zuiver wit tot licht lila. Zulke verschillen zijn met het blote oog goed te zien maar zijn niet als aparte vormen benoemd, en zolang er geen vergelijkend onderzoek langs de hele hoogtegradiënt is gedaan, is dat ook de verstandige lijn. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld.
Waar en wanneer te zien
Juli is het beste moment: de regens zijn dan enkele weken op gang, de rozetten zijn uitgegroeid en de bloemstelen staan overeind. Zoek in open eiken- en dennen-eikenbos op de westhellingen van de Sierra Madre Occidental, op plekken waar de grasmat dun is en de kale, losse grond doorschemert — een dichte grasmat sluit de soort uit. De witte bloemen op tien tot vijftien centimeter hoge stelen zijn van een paar meter afstand te zien; de rozet zelf ligt vlak en valt weg tegen de strooisellaag. Buiten de regentijd heeft zoeken geen zin: dan zit de hele plant onder de grond.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is beperkt: een in 2018 beschreven soort, bekend uit twee staten, met een groot hoogtebereik maar een onbekend aantal populaties. De standplaats — open, seizoensdroog eiken- en dennenbos — staat in dit deel van Mexico onder druk van houtkap, begrazing, brand en omzetting naar landbouw, en de ondergrondse winterknop biedt daar maar beperkt bescherming tegen: een plant die in de droge tijd onzichtbaar is, wordt bij bodemwerk gewoon meegenomen. Zonder formele toetsing is elke uitspraak over de trend giswerk; dat gebrek aan gegevens is hier het echte probleem.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula casperi | Juarez & Zamudio, 2018
Beschreven door Hilda Dalila Juárez en Sergio Zamudio in 2018, in Phytoneuron 2018-14: 1–20. Het typegebied ligt in de gemeente Mezquital, in de Mexicaanse deelstaat Durango. De soortnaam casperi eert de Duitse taxonoom Siegfried Jost Casper, die zich decennialang wijdde aan het wereldwijde onderzoek naar het geslacht Pinguicula.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.