Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula cyclosecta

Pinguicula cyclosecta

Een kleine vetblad met een grote, diep violette bloem, van koele, noordgerichte kalkwanden hoog in de Sierra Madre Oriental. Pinguicula cyclosecta werd in 1963 door Casper beschreven naar materiaal dat in 1948 in Nuevo León was verzameld, en behoort tot de groep kleine, vlezige Mexicaanse soorten die het grootste deel van het jaar als een hard knopje doorbrengen.

Pinguicula cyclosecta
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula cyclosecta — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Denis Barthel in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula cyclosecta — de bloem
De bloem · Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Twee sterk verschillende rozetten. De winterrozet bestaat uit zeer kleine, smalle, vlezige blaadjes van 3 tot 10 mm lang en 0,75 tot 2,5 mm breed, dicht opeengepakt tot een knop die nauwelijks groter is dan een erwt. De zomerrozet maakt bredere, platte bladeren van 15 tot 35 mm lang en 5 tot 12 mm breed met een klierdek; de rand van het blad is vaak wat naar boven gebogen, waardoor de rozet een ondiep schaaltje vormt. De bloemsteel blijft laag, 3 tot 5 cm, maar de bloem is groot: 25 tot 35 mm inclusief de slanke spoor van 15 tot 22 mm, en van kleur intens violet. Die verhouding — kleine plant, forse bloem op een korte steel — is in het veld kenmerkend.

Gelijkende soorten

Andere kleine vetbladen van het noordoosten, zoals Pinguicula immaculata en P. rotundiflora, hebben een aanzienlijk kleinere bloem met kortere spoor en groeien bovendien met voorkeur op gips. P. esseriana en verwanten uit San Luis Potosí lijken in de winterrozet sprekend, maar liggen zuidelijker en hebben doorgaans bredere winterblaadjes. De combinatie van zeer smalle winterblaadjes, een korte steel en een diep violette bloem van ruim twee centimeter met een lange spoor is voor deze soort het betrouwbaarst.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een klein maar iets komvormig blad. De gesteelde klieren houden de prooi vast; de zittende klieren daartussen geven verteringsenzymen af zodra er contact is, en de al opstaande bladrand zorgt ervoor dat het vocht rond de prooi blijft staan zonder dat er veel beweging nodig is. In de winterrozet zijn de blaadjes vlezig en vrijwel kliervrij; dan vangt de plant niets en teert ze op reserves. De vangst is navenant klein: springstaarten, muggen en kleine vliegjes die in de luwte van de wand rondhangen.

Standplaats en ecologie

Noordgerichte, verticale kalkwanden die boven een bos van Abies en eik uitsteken (R1, R2, B5). De lucht is er koel en winderig; de rozetten zitten op kleine mostapijtjes samen met Selaginella en varens, of in nauwe spleten en op richels in de schaduw onder agaven en hechtia's. Het water komt van sijpeling langs de wand en uit de vochtige berglucht; in de droge maanden valt die aanvoer sterk terug en trekt de plant zich in de winterknop terug. Van bodem is nauwelijks sprake — mos, gruis en een dun laagje humus in een scheur.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en bekend uit Nuevo León, in het bergland van de Sierra Madre Oriental. Onze soortenlijst noemt Tamaulipas; de gepubliceerde herkomst van het typemateriaal en de latere waarnemingen wijzen echter op Nuevo León. Wij houden hier Nuevo León aan. Het aantal bekende vindplaatsen is klein, en gezien de moeilijke toegankelijkheid van de wanden waar de soort groeit, is de werkelijke verspreiding waarschijnlijk wat ruimer dan het kaartbeeld suggereert.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. Tussen populaties verschilt vooral de verzadiging van de bloemkleur, van helder violet tot bijna blauwviolet, en de mate waarin de winterrozet paars aanloopt. Dat laatste hangt sterk samen met de bezonning van de wand. De zomerbladeren zijn op natte richels merkbaar groter dan op droge; ook dat is standplaatsgebonden en geen vast kenmerk. Natuurlijke kruisingen zijn van deze soort niet met zekerheid gepubliceerd, mede doordat er op haar wanden zelden andere vetbladen staan.

Waar en wanneer te zien

Ga in de zomer, wanneer de zomerrozetten open zijn en de violette bloemen op hun korte steeltjes verschijnen; in de droge tijd is de plant een knopje dat je niet vindt. Zoek op noordgerichte wanden aan de bovenkant van het naaldbos, langs richels en in de schaduw onder overhangende rots. De bloem is groot in verhouding tot de plant en het eerste wat opvalt: zoek naar violette stipjes op het grijze kalksteen. Klim niet; de wanden zijn hoog en los, en de soort is vanaf een pad met een verrekijker prima te bekijken.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is: een klein aantal vindplaatsen in één deelstaat, op een standplaats die door haar steilheid tamelijk goed beschermd is tegen begrazing en betreding. Als druk worden houtkap in het onderliggende bos, branden en het openleggen van wanden bij wegaanleg genoemd, en daarnaast verzameldruk, want de soort is bij liefhebbers gewild. Populatiecijfers zijn er niet. De plant is in cultuur ruim beschikbaar en gemakkelijk uit blad te vermeerderen, zodat wilde planten meenemen zinloos is.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula cyclosecta | Casper, 1963

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 1963, in Feddes Repertorium Specierum Novarum Regni Vegetabilis 67(1–3): 11–12. Het typegebied ligt in de Mexicaanse deelstaat Nuevo León; het typemateriaal werd verzameld door F.G. Meyer en D.J. Rogers in 1948. De soortnaam cyclosecta is samengesteld uit het Griekse kyklos ("cirkel") en het Latijnse secta ("gesneden") en verwijst naar de cirkelvormige rangschikking van de bladeren in een rozet.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.