Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula heterophylla
Pinguicula heterophylla
De soortnaam betekent 'met verschillende bladeren', en dat is precies wat deze plant doet: binnen één rozet, en tussen de seizoenen, maakt Pinguicula heterophylla bladeren van totaal verschillende vorm, van draaddun tot lang en lintvormig. Het is een soort van dennen- en eikenbossen in de bergen van zuidelijk Mexico, en een van de weinige vetbladen die niet op rots maar in gewone bosgrond groeit.

Herkenning
In de winterrozet staan buitenbladeren van 10 tot 25 mm lang en 1 tot 3 mm breed, en daarbinnen vrijwel draadvormige blaadjes tot 25 mm lang en slechts 0,2 mm breed — een vorm die bij geen andere Mexicaanse soort zo extreem is. De zomerrozet maakt buitenbladeren van 15 tot 25 mm en binnenbladeren die tot 150 mm lang worden en aan de voet 4 tot 5 mm breed zijn: lange, slappe linten die over de grond liggen. Per plant komen één tot vier rechte bloemstelen van 10 tot 15 cm, soms 23 cm, elk met één bloem. De bloem is 20 tot 24 mm inclusief de korte spoor van 4 tot 5 mm, en van kleur violet, purper, roze-wit of wit, met een geelgroene vlek in de keel. Bloeitijd mei tot juni. De plant maakt een echte ondergrondse knop voor de droge tijd.
Gelijkende soorten
De draadvormige binnenbladeren van de winterrozet zijn uniek en maken de soort buiten de bloei al herkenbaar. In bloei kan verwarring optreden met Pinguicula acuminata en andere soorten met een korte spoor en bleke bloem, maar die hebben brede, spatelvormige bladeren zonder de lintvormige zomerbladeren. P. macrophylla, die deels in hetzelfde gebergte groeit, heeft juist zeer brede bladeren en een veel langere spoor. Bij twijfel: haal het hart van de rozet voorzichtig uit elkaar en kijk of er draadvormige blaadjes tussen zitten.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval, maar met een opvallende arbeidsverdeling tussen de bladtypen. De brede zomerbladeren dragen het volle klierdek en doen het meeste vangwerk; de draadvormige blaadjes vangen nauwelijks en spelen waarschijnlijk vooral een rol bij het doorkomen van de droge tijd. Op de vangende bladeren houden gesteelde klieren de prooi vast en geven zittende klieren enzymen af zodra er contact is; de rand van het lange blad buigt zich daarbij traag naar binnen. De prooi bestaat vooral uit kleine tweevleugeligen en mieren uit de bosbodemlaag.
Standplaats en ecologie
Eikenbos, dennenbos en gemengd bos op roodbruine tot bruine bodems die uit andesiet of metamorfe gesteenten zijn ontstaan (B5, D4). Dit is dus geen kalkplant en ook geen rotsbewoner: P. heterophylla groeit gewoon in bosgrond, tussen strooisel, mos en gras, op plekken waar de humuslaag dun is en in de droge tijd volledig uitdroogt. De hoogteligging is groot, van vijftienhonderd tot drieduizend meter, wat betekent dat de soort zowel in warm eikenbos als in koud naaldbos kan staan. De ondergrondse knop stelt haar in staat om branden en langdurige droogte te doorstaan.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Mexico, met vindplaatsen in Oaxaca, Guerrero en Michoacán. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico'; de literatuur is preciezer en wijst op die drie deelstaten in het zuiden en zuidwesten van het land. Het is geen aaneengesloten areaal maar een reeks bergpopulaties in verschillende massieven, gescheiden door warme, droge dalen. Doordat de soort in bosgrond groeit en niet aan rots of gips gebonden is, kan ze binnen een geschikt bos over grote oppervlakken verspreid staan.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De bloemkleur is bij deze soort opvallend variabel — violet, purper, roze-wit en wit komen alle voor, soms binnen één populatie — maar er worden geen wilde variëteiten onderscheiden. De bladvariatie waar de soort haar naam aan dankt is geen kwestie van vormen maar van seizoen en positie binnen de rozet, en bij elke plant aanwezig. De grootte van de zomerbladeren hangt sterk af van de hoeveelheid zomerregen; in droge jaren blijven de linten aanzienlijk korter. Natuurlijke kruisingen zijn niet gepubliceerd.
Waar en wanneer te zien
Mei en juni zijn de maanden: dan bloeit de soort en zijn de bleke bloemen boven het bosgras te zien terwijl de lange zomerbladeren nog nauwelijks zijn uitgelopen. Zoek op open plekken in eiken- en dennenbos, langs paden en op plekken waar het strooisel dun is; niet op rots. De rozet ligt plat en verdwijnt volledig tussen gras en naalden, dus laat de bloem het werk doen. Schuif geen strooisel weg en graaf niet: de ondergrondse knop zit vlak onder de oppervlakte en raakt gemakkelijk beschadigd.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, oogt minder benard dan bij de rotsbewonende verwanten: de soort heeft een ruime hoogtezone en een verspreiding over drie deelstaten, en groeit in een wijdverbreid bostype. Daar staat tegenover dat juist dennen- en eikenbos in zuidelijk Mexico snel wordt omgezet naar landbouw en dat overbegrazing en te frequente branden de kruidlaag aantasten. Gepubliceerde populatiegegevens ontbreken. Een beoordeling zou hier vooral moeten uitmaken hoeveel van het bekende areaal nog geschikt bos bevat.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula heterophylla | Bentham, 1839
Beschreven door George Bentham in 1839, in Plantae Hartwegianae 1: 70. De soort komt voor in Mexico, in de deelstaten Oaxaca (Sierra de San Felipe), Guerrero (ten noordoosten van Chilpancingo) en Michoacán (bij Coalcomán). De soortnaam heterophylla is Grieks voor "met verschillende bladeren" en verwijst naar de twee sterk verschillende rozetvormen van deze soort: een compacte, bolvormige winterrozet en een opgerichte, vleesetende zomerrozet.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.