Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula debbertiana
Pinguicula debbertiana
Een van de kleinste vetbladen van Mexico, en een van de minst bekende. Pinguicula debbertiana werd in 1992 beschreven naar planten van de gipsheuvels bij de kruising van El Huizache in San Luis Potosí, en is sindsdien maar van een handvol plekken gemeld. In het veld gaat het om een rozetje dat je met een muntstuk kunt afdekken.

Herkenning
Een compacte rozet van dikke, vlezige blaadjes. De winterblaadjes zijn ongeveer 8 mm lang en 5 mm breed, dakpansgewijs opeen en met weinig klieren; de zomerblaadjes zijn iets groter, ongeveer 13 bij 8 mm, platter en met een dun klierdek. De bloemen staan op korte, dunne steeltjes en verschijnen aan het einde van de droge tijd. De kroon is mauve tot purper, met slippen van ongeveer 6 mm lang en even breed, en een licht gebogen spoor van ongeveer 8 mm; er zijn ook planten met witte bloemen gemeld. Net als bij verwante gipsbewoners vormen afgevallen blaadjes gemakkelijk nieuwe rozetten, zodat een vindplaats uit dichte kluitjes kan bestaan.
Gelijkende soorten
De soort staat dicht bij Pinguicula esseriana en P. ehlersiae, die in hetzelfde gipsgebied van San Luis Potosí groeien. P. debbertiana heeft de kleinste bloem van de drie, met een spoor van ongeveer acht millimeter, terwijl P. ehlersiae een langere, duidelijk gehaakte spoor heeft en P. esseriana een bredere onderlip. Buiten de bloei zijn de drie in het veld praktisch niet te scheiden, en verschillende auteurs twijfelen of het hier om drie soorten of om vormen van één variabele soort gaat.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval op een zeer klein blad, en daarmee een van de bescheidenste vangoppervlakken binnen het geslacht. De zomerblaadjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt; de rand buigt zich daarbij iets naar binnen. De winterblaadjes zijn dik en vrijwel kliervrij en dienen als watervoorraad. De prooi is dienovereenkomstig klein: springstaarten, mijten, kleine muggen en vliegjes die in de vroege ochtend over het vochtige gips bewegen. Omdat de plant maar een paar maanden per jaar carnivore bladeren draagt, is het vangvenster smal: alles wat er aan stikstof binnenkomt, moet in die periode worden binnengehaald en vervolgens in de vlezige winterblaadjes worden opgeslagen. Die opslagfunctie verklaart meteen waarom de winterrozet zo dik en zo kliervrij is.
Standplaats en ecologie
Gipsheuvels en kalkrijke hellingen in het droge binnenland van San Luis Potosí, in doornstruweel met agaven, hechtia's en cactussen (R2, D4). De planten zitten in de luwte van struiken, op noordhellingen en aan de voet van gipsbanken waar het oppervlak langer vochtig blijft. Het klimaat is heet en droog met een korte, hevige zomerregentijd; de rest van het jaar levert de nachtelijke dauw het meeste water. De extreem voedselarme, sulfaatrijke gipsbodem houdt vrijwel alle concurrentie weg en is precies waarom een plant van dit formaat hier stand houdt.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Mexico. De gepubliceerde vindplaatsen liggen in San Luis Potosí, rond de kruising van El Huizache; de naam Huizache komt in die deelstaat vaak voor, wat het lokaliseren van oude opgaven bemoeilijkt. Onze soortenlijst vermeldt Oaxaca; dat komt niet overeen met de literatuur, die de soort consequent in het droge noordoostelijke hoogland plaatst, ruim duizend kilometer noordelijker. Wij houden hier San Luis Potosí aan. Het bekende areaal is zeer klein. Dat een in 1992 beschreven soort ruim dertig jaar later nog steeds van zo weinig plekken bekend is, ligt deels aan de plant en deels aan het terrein: de gipsheuvels van San Luis Potosí zijn uitgestrekt, slecht ontsloten en botanisch maar mondjesmaat onderzocht.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Naast de gewone mauve tot purperen vorm is een witbloemige vorm gemeld; verder worden er geen wilde variëteiten onderscheiden. De rozetten lopen in de volle zon sterk rood aan en blijven in de schaduw grijsgroen, maar dat is een reactie op licht en geen vast kenmerk. Belangrijker is dat de grens met P. esseriana en P. ehlersiae onscherp is: op sommige heuvels staan planten die in bloem- en spoormaat tussen de drie in vallen, en die zijn met de huidige kennis niet betrouwbaar te plaatsen.
Waar en wanneer te zien
Zoek van februari tot april, wanneer de bloemen uit de winterrozet komen en als kleine purperen stipjes boven het bleke gips uitsteken. Loop de noord- en oostzijde van gipsheuvels af en kijk onder de rand van struiken en aan de voet van gipsbanken, waar wat gruis en mos ligt. De rozetten zelf zijn zo klein dat ze tussen de kiezels verdwijnen; ga zitten en werk een halve vierkante meter tegelijk af. Laat de planten staan — ze zijn klein, traag en zitten in een bodem die na verstoring niet herstelt.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en niet in CITES opgenomen. Van deze soort is minder bekend dan van vrijwel elke andere in deze groep: er zijn weinig gepubliceerde vindplaatsen, geen populatietellingen, en zelfs over de soortgrenzen bestaat onenigheid. De voor de hand liggende druk is gipswinning, wegaanleg en begrazing in een gebied waar die drie alle drie voorkomen. Dat de soort in cultuur beschikbaar is, neemt de noodzaak van verzamelen in het wild weg. Voor een beoordeling zou eerst moeten worden vastgesteld hoeveel populaties er werkelijk zijn en of ze tot deze soort behoren.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula debbertiana | Speta & Fuchs, 1992
Beschreven door Franz Speta en Franz Fuchs in 1992, in Linzer Biologische Beiträge 24: 375. Het typegebied ligt bij de Huizache-kruising in de Mexicaanse deelstaat San Luis Potosí. De herkomst van de soortnaam debbertiana (vermoedelijk een eerbetoon aan een persoon met de naam Debbert) kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.