Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula elizabethiae

Pinguicula elizabethiae

Een vetblad met een diep roodpurperen, glanzende bloem, uit de kloof van de Río Moctezuma op de grens van Hidalgo en Querétaro. Pinguicula elizabethiae werd in 1999 door Zamudio beschreven en hoort tot de reeks soorten die de Sierra Gorda in enkele decennia tot een van de rijkste gebieden voor het geslacht heeft gemaakt.

Pinguicula elizabethiae
Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula elizabethiae — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula elizabethiae — de bloem
De bloem · Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula elizabethiae — de standplaats
De standplaats · Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

In de droge tijd staat er een kleine winterrozet van smalle blaadjes van 5 tot 17 mm lang en 2 tot 4 mm breed. Met de regens verschijnt een veel forsere zomerrozet: brede, vlakke, kleverige bladeren van (35) 50 tot 72 mm lang en (10) 25 tot 53 mm breed. Per plant komen één tot vijf rechte bloemstelen omhoog. De bloem is 36 tot 46 mm lang inclusief spoor en van kleur glanzend roodpurper — in het veld een opvallend verzadigde tint. De slippen van de bovenlip meten 6,5 tot 10 mm, die van de onderlip 7 tot 13 mm; de spoor is (15) 20 tot 28 mm lang en steekt duidelijk achter de bloem uit. De soort is genoemd naar Elizabeth Argüelles, die veel veldwerk in Querétaro verrichtte. Na de bloei blijven rechtopstaande doosvruchten op de stelen achter; het zeer fijne zaad waait over het mospakket uit en kiemt op plekken waar de mosmat dun genoeg is om licht door te laten.

Gelijkende soorten

In hetzelfde canyongebied groeit Pinguicula moctezumae, die direct te scheiden is aan het smalle, lint- tot lancetvormige zomerblad en de nog langere spoor van bijna drie centimeter. P. agnata, eveneens uit de streek, heeft een bleke, vrijwel witte bloem met een spoor van enkele millimeters. Verder zuidelijk heeft P. laueana een echt rode bloem, maar met een spoor van vier centimeter en een heel andere groeiplaats. Waar soorten uit de canyon samen staan zijn kruisingen te verwachten, en tussenvormen verdienen aandacht.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een breed, vlak blad — een van de ruimere vangoppervlakken onder de soorten van de Sierra Gorda. De gesteelde klieren dragen een druppel kleverig slijm en houden de prooi vast; de zittende klieren daartussen geven verteringsenzymen af zodra er contact is. Daarna rolt de bladrand zich traag over de prooi heen, waardoor het vocht in een ondiepe kom blijft staan in plaats van van de helling af te lopen. Doordat de planten op steile, mossige taluds groeien is dat vasthouden wezenlijk. De vangst bestaat uit muggen, kleine vliegen en mieren.

Standplaats en ecologie

Zeer steile, mossige hellingen en kalkhoudende schalie- en lutietrotsen in het submontane struweel van de Moctezuma-kloof, tussen duizend en zestienhonderd meter (R1, R2). De planten wortelen in mospakketten samen met varens en Selaginella, zelden in echte bodem. Het klimaat is warm en uitgesproken seizoensgebonden; de zomerregens leveren het grootste deel van het water, terwijl in de droge tijd de sijpeling langs de wand en de luchtvochtigheid in de kloof de plant op de been houden. Wanneer het mos van een talud verdwijnt, verdwijnt de soort mee. Lutiet — een fijnkorrelige, kalkhoudende schalie — verweert tot een dunne, vasthoudende laag die water langer vasthoudt dan het omringende kalksteen, en dat verklaart waarom de soort juist op die gesteentelagen zit en niet overal in de kloof.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en beperkt tot de kloof van de Río Moctezuma en haar zijkloven, met vindplaatsen in Hidalgo en in Querétaro langs de weg naar San Joaquín. Onze soortenlijst vermeldt Oaxaca; dat komt niet overeen met de literatuur, die de soort uitsluitend uit Hidalgo en Querétaro kent — de oorspronkelijke beschrijving noemt beide deelstaten al in de titel. Wij houden hier Hidalgo en Querétaro aan. Het areaal is klein en volgt de loop van de rivier.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen wilde variëteiten onderscheiden. Binnen de soort verschilt de intensiteit van de roodpurperen bloemkleur tussen populaties, en de spoorlengte loopt van vijftien tot achtentwintig millimeter uiteen. De bladgrootte hangt sterk af van hoe nat een talud in de regentijd is: op de vochtigste plekken worden de zomerbladeren ruim vijf centimeter breed, op drogere blijven ze half zo groot. Omdat er in de kloof meer vetbladen groeien, moeten planten met tussenliggende kenmerken eerst als natuurlijke kruising worden overwogen.

Waar en wanneer te zien

Ga in het voorjaar en de vroege zomer, wanneer de bloemen uitkomen; de verzadigde roodpurperen kleur is van grote afstand zichtbaar tegen grijs gesteente en mos. Zoek op de steilste, noordgerichte taluds langs de weg naar San Joaquín en in de zijkloven, op plekken waar mos en varens groeien en het gesteente nat aanvoelt. Blijf op de weg of het pad: de hellingen zijn zeer steil en het mospakket waarin de planten wortelen is maar een paar centimeter dik en laat gemakkelijk los.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, verdient aandacht: de soort is pas in 1999 beschreven, heeft een klein areaal langs één riviersysteem, en groeit bij voorkeur op wegtaluds — precies de plekken die bij onderhoud worden afgeschraapt of vastgelegd. Daarnaast is de opvallende bloem aantrekkelijk voor verzamelaars, en zijn waterwinning en wegverbreding in de kloof genoemd als risico. Populatiecijfers ontbreken volledig. De soort is in cultuur verkrijgbaar, zodat verzamelen in het wild nergens voor nodig is.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula elizabethiae | Zamudio, 1999

Beschreven door Sergio Zamudio in 1999, in Acta Botanica Mexicana 47: 15–22. Het typegebied ligt in de kloven van de rivier de Moctezuma en zijn zijrivier de Arroyo Tolimán, in de Mexicaanse deelstaten Querétaro en Hidalgo, op 1000 tot 1600 meter hoogte. De soortnaam elizabethiae eert Elizabeth Arguelles, een bevriende, enthousiaste verzamelaarster van de flora van Querétaro.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.