Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula emarginata

Pinguicula emarginata

Een klein, bleekbloemig vetblad van natte zandsteenwanden in het nevelwoud van oostelijk Mexico. Pinguicula emarginata dankt zijn naam aan de ingesneden top van de kroonslippen, een detail dat je met een loep moet bekijken maar dat de soort onmiddellijk vastlegt. Hij werd in 1986 beschreven door Zamudio en Rzedowski, samen met twee andere nieuwe soorten uit dezelfde streek.

Pinguicula emarginata
Foto: M108t in kweek — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula emarginata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Averater in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula emarginata — de bloem
De bloem · Foto: M108t in kweek — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

De rozet bestaat uit elliptische tot omgekeerd eironde bladeren van 10 tot 50 mm lang en 3 tot 22 mm breed, vlak uitgespreid tegen de natte rots en met een dicht klierdek. De bloemsteel wordt 4 tot 10 cm en draagt meestal één bloem. De bloem is klein, 8 tot 16,5 mm inclusief de spoor van 4 tot 7 mm, en wit met purperen aders of geheel dieper violet; op de middelste slip van de onderlip staat een egale, heldere citroengele vlek die de bezoeker naar de keel wijst. De toppen van de kroonslippen zijn ingesneden — vandaar de soortnaam. De spoor is recht tot licht gebogen. Anders dan veel Mexicaanse soorten vormt de plant geen strak gesloten winterknop en bloeit ze vrijwel het hele jaar door. Doordat de plant het hele jaar bladeren draagt, zijn er op één rozet vaak tegelijk bloeiende stelen, rijpende doosvruchten en verse bladeren te zien — een beeld dat bij de meeste Mexicaanse verwanten, met hun scherpe scheiding tussen droog en nat seizoen, nooit voorkomt.

Gelijkende soorten

De gele keelvlek op een verder witte of violette bloem met ingesneden slippen is onder de Mexicaanse vetbladen ongewoon en maakt de soort goed herkenbaar. Pinguicula moranensis, die in hetzelfde gebergte groeit, is veel forser en heeft een spoor van meer dan een centimeter. P. lilacina heeft eveneens een gele keelvlek, maar is eenjarig, heeft geen ingesneden slippen en groeit niet op natte wanden maar op rotsige bosgrond. Bij twijfel beslist de combinatie van vindplaats — een natte zandsteenwand — en de ingesneden slippen.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die vrijwel het jaar rond werkt, wat in Mexico eerder uitzondering dan regel is. Op een permanent natte wand in nevelwoud hoeft de plant geen droogteknop te vormen, zodat het klierdek continu in bedrijf blijft. De gesteelde klieren houden de prooi vast, de zittende klieren leveren enzymen zodra er contact is, en de bladrand rolt zich traag naar de prooi toe zodat het vocht blijft staan. Het aanbod aan prooi is groot: rond watervallen en vochtige wanden in subtropisch nevelwoud hangen permanent wolken kleine tweevleugeligen.

Standplaats en ecologie

Noordgerichte zandsteenwanden met een dunne, natte humuslaag op het gesteente, langs beken en watervallen in subtropisch nevelwoud (R1, B1). De begeleidende vegetatie bestaat uit epifytische bromelia's, orchideeën en boomvarens; de lucht is er permanent vochtig en de wand droogt nooit volledig uit. De hoogteligging is beperkt, ruwweg veertienhonderd tot zestienhonderd meter. Juist doordat het gesteente steil en nat is, blijft er geen echte bodem liggen en is er weinig concurrentie van grotere planten. Het bijzondere van deze standplaats is dat het water niet uit de bodem komt maar over de rots trekt: een dun, permanent filmpje dat door de hoge luchtvochtigheid nooit verdampt. Dat maakt de soort volledig afhankelijk van de watervoerendheid van het beekje erboven.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico, met vindplaatsen in Veracruz en Puebla, onder meer in de gemeente Atzalán en in het gebied tussen Teziutlán en Tlapacoyan. Onze soortenlijst spreekt van noordoostelijk Mexico; dat is te ruim en te noordelijk, want de bekende populaties liggen in het oosten, op de vochtige oostflank van de Sierra Madre Oriental. Wij houden hier Veracruz en Puebla aan. Het areaal is klein en gebonden aan een smalle nevelwoudzone.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De soort is in bloemkleur opvallend variabel: sommige populaties zijn wit met purperen aders, andere geheel dieper violet, terwijl de gele keelvlek bij alle planten aanwezig blijft. Er worden geen wilde variëteiten onderscheiden en de variatie is geleidelijk. Bladgrootte verschilt sterk tussen planten op een permanent natte wand en die op een drogere richel: de opgaven lopen van één tot vijf centimeter. Natuurlijke kruisingen zijn van de vindplaatsen niet gepubliceerd.

Waar en wanneer te zien

Deze soort kun je bijna het hele jaar in bloei aantreffen, dus de planning is soepel; de maanden van het regenseizoen geven wel de meeste bloemen tegelijk. Zoek langs beken en bij kleine watervallen, op de natte, beschaduwde zandsteenwanden, en kijk naar de gele keelvlek — die valt eerder op dan het bleke bloempje eromheen. Kom niet aan het dunne humuslaagje op de rots: het laat bij aanraking los en neemt de planten mee. Voor foto's is bewolkt weer beter dan zon, want de wand is glimmend nat.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, wijst op een soort met een klein areaal in een kwetsbaar milieu: het nevelwoud op de oostflank van de Sierra Madre Oriental is sterk teruggedrongen door koffieteelt, veeteelt en houtkap, en de natte wanden waar de soort groeit liggen vaak langs wegen en toeristische watervalroutes. Waterwinning bovenstrooms is een tweede risico, want als de wand opdroogt verdwijnt de plant. Er zijn geen gepubliceerde populatiecijfers; een beoordeling zou hier goed op haar plaats zijn.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula emarginata | Zamudio & Rzedowski, 1986

Beschreven door Sergio Zamudio en Jerzy Rzedowski in 1986, in “Tres especies nuevas de Pinguicula (Lentibulariaceae) de México”, Phytologia 60(4). Het typegebied ligt bij Tatzayanala, in de gemeente Atzalan, in de Mexicaanse deelstaat Veracruz, op rotsen langs een rivieroever op 1400 meter hoogte. De soortnaam emarginata is Latijn voor "ingekerfd" en verwijst naar de onregelmatig ingekerfde lobben van de bloemkroon.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.