Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula acuminata

Pinguicula acuminata

Een vetblad van koude, mistige dennen- en abiesbossen hoog in Hidalgo, met een bescheiden bleke bloem en een zomerrozet die tot een handpalm breed kan worden. Pinguicula acuminata is al in 1839 door Bentham beschreven — voor een Mexicaanse soort uitzonderlijk vroeg — en groeit onder meer in en rond het nationale park El Chico.

Pinguicula acuminata
Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

In de droge tijd blijft er een kleine winterrozet over van blaadjes van 6 tot 19 mm lang en 3 tot 9 mm breed, vlezig en met weinig klieren. Uit die winterrozet komen de bloemen, op stelen van 7,4 tot 15 cm, soms 17,5 cm. De bloem meet 17 tot 22 mm inclusief spoor en is ongeveer even breed; de kleur is witachtig, bleek blauwroze of lila, en de spoor is kort, 4 tot 5 mm. Pas daarna, met de regens, ontvouwt zich de zomerrozet met veel grotere, vlakke, kleverige bladeren van 34 tot 120 mm lang en 16 tot 83 mm breed. Die volgorde — eerst bloeien, dan pas groot blad maken — is bij een aantal Mexicaanse soorten gebruikelijk en kan de determinatie in het veld verwarren.

Gelijkende soorten

In hetzelfde park groeit Pinguicula moranensis, die aan de veel grotere, dieper gekleurde bloem met een spoor van ruim een centimeter is te herkennen; de twee staan geregeld naast elkaar. P. heterophylla heeft lintvormige zomerbladeren en draadvormige blaadjes in het hart van de winterrozet. P. macrophylla heeft eveneens grote bladeren maar een violetpurperen bloem met een spoor van meer dan twee centimeter. De korte spoor en de bleke, brede bloem blijven voor P. acuminata de beste kenmerken.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een breed, vlak blad, actief in het regenseizoen wanneer de zomerrozet is uitgelopen. De gesteelde klieren dragen een heldere kleefdruppel en houden de prooi vast; de zittende klieren daartussen geven verteringsenzymen af zodra er contact is, waarna de bladrand zich traag over de prooi heen rolt. In een koel, mistig bergbos is de aanvoer van kleine tweevleugeligen groot, en op de brede bladeren stapelt zich in de loop van het seizoen een duidelijke laag donkere insectenresten op. Tijdens de bloei, uit de kliervrije winterrozet, vangt de plant vrijwel niets.

Standplaats en ecologie

Schaduwrijke taluds en hellingen in mistige bergbossen van dennen, eik en Abies, op leemachtige grond tussen rotsblokken, tussen mos, varens en vetplanten (B1, B5). De hoogteligging is groot, ruwweg vierentwintighonderd tot achtentwintighonderd meter, wat betekent dat het er 's nachts kan vriezen. De plant staat niet op rots maar in een dunne laag leem en humus die in de droge tijd hard uitdroogt; de winterrozet en de ondergrondse reserves overbruggen die periode. Beschaduwing is hier geen bezwaar maar juist voorwaarde: op open plekken droogt de bodem te snel uit.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en bekend uit Hidalgo, met het zwaartepunt in en rond het Parque Nacional El Chico bij Real del Monte. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico'; de literatuur is preciezer en houdt het op Hidalgo, waar de soort in een beperkt aantal bergbossen groeit. Oudere opgaven uit andere deelstaten berusten vermoedelijk op verwarring met P. macrophylla. Het areaal is klein en ligt hoog, in een zone die in Mexico maar op enkele plaatsen voorkomt.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 23 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen wilde variëteiten onderscheiden. De bloemkleur wisselt binnen en tussen populaties van vrijwel wit via bleek blauwroze tot duidelijk lila; dat is individuele variatie. De grootte van de zomerbladeren verschilt sterk met de natheid van het jaar en de beschaduwing van de standplaats — de opgaven lopen van drieënhalf tot twaalf centimeter lengte, wat een van de ruimste spreidingen in deze groep is. Natuurlijke kruisingen met P. moranensis zijn uit het gebied gemeld; die hebben een grotere bloem met een middellange spoor.

Waar en wanneer te zien

Ga van maart tot mei, want dan bloeit de soort terwijl de zomerrozet nog niet is uitgelopen: de bleke bloem op een dunne steel is dan het enige wat boven het strooisel uitkomt. Zoek op beschaduwde taluds langs de paden in het bergbos, tussen rotsblokken en in de mosvegetatie aan de voet van bomen. Later in het jaar zijn de grote, glanzende bladeren juist het opvallendst, maar dan zijn de bloemen voorbij. Loop niet buiten de paden: de standplaats bestaat uit losse leem en mos die snel wegspoelt.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Gunstig is dat een deel van het bekende areaal binnen een nationaal park ligt, wat houtkap en omzetting van bos beperkt. Minder gunstig is dat het om een klein areaal in één deelstaat gaat, in een hooggelegen bostype dat gevoelig is voor branden en voor recreatiedruk — El Chico is een druk bezocht park vlak bij de hoofdstad. Betreding van taluds en het verzamelen van planten worden beide genoemd. Populatiecijfers zijn niet gepubliceerd, zodat een trend niet te onderbouwen is.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula acuminata | Bentham, 1839

Beschreven door George Bentham in 1839. Het typegebied ligt in de gemeente El Chico, in de Mexicaanse deelstaat Hidalgo, waar de plant groeit op beschaduwde, bemoste rotswanden tussen 2400 en 2800 meter hoogte. De soortnaam acuminata is Latijn voor "toegespitst" en verwijst naar de hartvormig-toegespitste bladeren van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.