Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula gigantea

Pinguicula gigantea

De grootste vetblad van Mexico, en een van de weinige die je al van een afstand op een rotswand ziet liggen. Pinguicula gigantea maakt een rozet die een volwassen handpalm ruim overschrijdt, met bladeren die in de zon glanzen alsof ze met olie zijn ingesmeerd. De soort werd pas in 1995 beschreven, naar planten van de steile wanden boven de Río Uruapan bij San Bartolomé Ayautla in Oaxaca, en is in het wild van maar een handvol plekken bekend.

Pinguicula gigantea
Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula gigantea — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula gigantea — de bloem
De bloem · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke, opvallend grote rozet. De bladeren zijn 6 tot 14,5 cm lang en 4 tot 7 cm breed, breed lepelvormig tot omgekeerd eirond, lichtgroen en met een randje dat bij oudere bladeren licht naar boven staat. Het kenmerk dat de soort van alle andere Mexicaanse vetbladen scheidt, is dat de klieren niet alleen op de bovenkant staan maar ook op de onderkant van het blad: de plant vangt dus aan twee zijden. Uit het hart komen één tot enkele rechte bloemstelen van 15 tot 18,5 cm. De bloem meet 28 tot 33 mm inclusief de korte, stompe spoor van 5 tot 8 mm, en is bleek purperviolet tot witachtig lila; er bestaan ook populaties met zuiver witte bloemen. De bloeitijd valt in de droge maanden, januari tot april. Anders dan de meeste Mexicaanse soorten maakt P. gigantea geen strakke, vlezige winterrozet maar blijft hij met kleinere carnivore bladeren doorgroeien.

Gelijkende soorten

Op formaat alleen is verwarring nauwelijks mogelijk: geen enkele andere Mexicaanse vetblad wordt zo groot. Het dichtst staat Pinguicula moranensis, die in hetzelfde land veel algemener is; die heeft een kleinere rozet, een veel langere spoor en een dieper gekleurde bloem. In het veld beslist de onderkant van het blad: is die klierloos en glad, dan is het P. gigantea niet. Jonge, nog niet uitgegroeide planten kunnen wel op grote exemplaren van P. moranensis lijken; wacht dan tot de bloei, want de korte spoor van P. gigantea is dan meteen doorslaggevend.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval, en bij deze soort een dubbelzijdige. Op het blad staan gesteelde klieren die elk een heldere druppel dragen, en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen loslaten wanneer er werkelijk een prooi ligt. Een insect dat landt blijft vastzitten; het worstelen brengt meer druppels in contact en versmeert het dier. Daarna komt een trage beweging op gang: de bladrand rolt zich een stukje naar de prooi toe, zodat het verteringsvocht niet van de schuine wand af loopt. Doordat ook de onderkant van het blad kleverig is, vangt de plant insecten die van onderaf tegen de overhangende rotswand opkruipen — een aanvulling die bij geen enkele verwant zo duidelijk is. De prooi bestaat vooral uit muggen, kleine vliegen en mieren.

Standplaats en ecologie

Steile tot overhangende kalksteenwanden in een warm, tropisch dal, op enkele honderden meters hoogte. Het gebied krijgt zeer veel regen — opgaven rond drieduizend millimeter per jaar — maar wel sterk in de zomer geconcentreerd, zodat de wand in de winter maandenlang vrijwel droog staat. De planten groeien in spleten en op richels in vol zonlicht, tussen bromelia's als Tillandsia streptophylla en agaven; ze delen hun standplaats dus met uitgesproken droogteplanten. Het water komt van sijpeling en van de zeer hoge luchtvochtigheid in het dal (R1, R2). Van bodem in de gewone zin is bijna geen sprake: wat de wortels vasthoudt is een dun laagje mos, gruis en humus in een scheur.

Verspreiding en hoogte

Bekend van het noorden van Oaxaca, uit het gebied rond San Bartolomé Ayautla in de Cañada, waar de soort op de zuidelijke wanden boven de Río Uruapan staat. Het aantal bekende vindplaatsen is klein en de soort is een Mexicaanse endemeet. De hoogteligging is voor een Mexicaanse vetblad opvallend laag: enkele honderden meters, terwijl de meeste verwanten pas boven de duizend meter beginnen. Onze soortenlijst vermeldt Oaxaca, en dat klopt met wat er over de wilde populaties is gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

In het wild is de variatie beperkt en zijn er geen variëteiten beschreven. Wat wel wordt opgegeven is een verschil in bloemkleur tussen populaties: naast de gewone bleek purperviolette vorm bestaan planten met vrijwel witte bloemen. Verder verschillen planten vooral in grootte, en dat lijkt vooral te maken te hebben met hoeveel vocht en luchtvochtigheid een bepaalde richel vasthoudt; op de meest geëxposeerde plekken blijven de rozetten duidelijk kleiner. Natuurlijke kruisingen met andere vetbladen zijn van de vindplaatsen niet gemeld, wat te verwachten is, want er groeit geen andere Pinguicula in de buurt.

Waar en wanneer te zien

De beste maanden zijn januari tot april, aan het einde van de droge tijd, als de rozetten het grootst zijn en de bloemen erboven uitsteken. Zoek niet op de grond maar omhoog: de planten zitten op de wand zelf, vaak enkele meters boven de weg of de rivier, en zijn met een verrekijker beter te bekijken dan van dichtbij. Schuin invallend licht laat het klierdek oplichten, waarna de rozetten als natte, lichte vlekken tegen het grijze kalksteen opvallen. Blijf op de weg of het pad; de wanden zijn steil, los en met de begroeiing van agaven en bromelia's onaangenaam om te beklimmen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat ook niet in CITES. Wat wel vaststaat, is dat het bekende areaal zeer klein is: een handvol wanden in één dal in Oaxaca. Dat maakt de soort gevoelig voor plaatselijke ingrepen — wegwerkzaamheden langs de rivier, het opruimen van wandbegroeiing en het verzamelen van planten voor de handel worden alle drie als druk genoemd. Omdat de plant in cultuur ruim beschikbaar is en gemakkelijk uit blad te vermeerderen valt, is er geen reden om wilde exemplaren mee te nemen. Het ontbreken van een beoordeling zegt hier vooral iets over de aandacht die de soort tot nu toe heeft gekregen, niet over haar veiligheid.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula gigantea | Luhrs, 1996

Beschreven door Hans Luhrs in 1996, in Phytologia 79(6): 389–392, op basis van materiaal dat de botanicus Alfred Lau had verzameld. Het typegebied ligt bij San Bartolomé Ayautla, in de Mexicaanse deelstaat Oaxaca, op steile wanden langs de rivier de Uruapan. De soortnaam gigantea is Latijn voor "reusachtig" en verwijst naar de opvallend grote afmetingen van deze soort ten opzichte van andere Pinguicula-soorten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.