Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula habilii
Pinguicula habilii
Zuidwest-Anatolië is een gebied van kalkplateaus, serpentijnbergen en bronnen die met veel water uit de rots komen. Daar werd in 2012 Pinguicula habilii beschreven, een vetblad dat tot dan toe schuilging onder de naam van zijn wijdverbreide verwant en dat buiten deze streek niet voorkomt.

Herkenning
Een rozet van geelgroene bladeren met een dicht klierdek dat glinstert en vettig aanvoelt; de bladrand is naar boven omgekruld. Uit het hart komen kale bloemstelen met elk één tweelippige bloem, met een tweelobbige bovenlip, een drielobbige onderlip met keeltekening en achteraan een spoor. Betrouwbare maten voor plant, kroon en spoor en een precieze bloemkleur konden voor deze gids niet in een vrij raadpleegbare bron worden teruggevonden; de oorspronkelijke beschrijving in Phytotaxa geeft ze wel, maar was tijdens het samenstellen afgeschermd. Ze zijn hier daarom niet opgegeven.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij het complex rond Pinguicula crystallina en P. hirtiflora, dat in Turkije en op Cyprus zijn oostelijke uitloper heeft. Die twee zijn onderling te scheiden op spoorlengte in verhouding tot de kroon — een derde bij P. crystallina, de helft of meer bij P. hirtiflora — en het is precies binnen die spanwijdte dat de Anatolische planten zijn onderzocht. Daarnaast komt in Zuidwest-Anatolië P. megaspilaea voor, herkenbaar aan zijn opvallend lange, lijnvormige zomerbladeren. Determinatie in deze groep vraagt maten, geen eerste indruk.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die het van bronwater moet hebben. Op het blad staan gesteelde klieren met een kleverige druppel en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er prooi op ligt. In de permanent vochtige lucht rond een Anatolische bron of watervalletje vliegen muggen en vliegjes in ruime aantallen, en die vormen de vangst. Na een vangst rolt de bladrand zich over de prooi zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan en niet van het schuine gesteente loopt. Op serpentijn — een gesteente dat naast voedselarmoede ook nog eens giftige metalen levert — is die extra voeding van grote waarde.
Standplaats en ecologie
Permanent natte rotsstandplaatsen in de bergen van Zuidwest-Anatolië: druipende wanden bij bronnen en watervallen, natte spleten en de vochtige zone langs bergbeken. De soort groeit lithofytisch, rechtstreeks op het gesteente, in een dun laagje mos en verweringsmateriaal. Zowel kalksteen als serpentijn worden bewoond; het complex waartoe de soort behoort staat bekend om die onverschilligheid voor gesteentesoort in combinatie met een absolute eis aan permanent stromend water. In een landschap met lange, hete zomers zijn die natte plekken schaars.
Verspreiding en hoogte
Zuidwest-Anatolië in Turkije, waar de soort is beschreven uit het bergland van de provincie Muğla. Het areaal is klein en beperkt zich tot een beperkt aantal bronmilieus in dat bergland. Onze eigen soortenlijst geeft 'Turkije (Anatolië)'; dat is aan de grove kant, want het gaat om het zuidwestelijke deel van Anatolië en niet om het schiereiland als geheel. In dezelfde streek staan bovendien populaties van P. crystallina en P. megaspilaea, wat de regio tot het interessantste vetbladgebied van het oostelijke Middellandse Zeegebied maakt.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De relevante beweging zit op soortniveau: de Turkse vetbladen zijn de afgelopen twee decennia grondig herzien, waarbij planten die eerder onder één naam werden gevoerd zijn opgesplitst en het onderscheid tussen P. crystallina en P. hirtiflora opnieuw is getrokken. P. habilii is uit die herziening voortgekomen. Wie oudere Turkse flora-literatuur raadpleegt, vindt deze planten daar nog onder de naam van een van de verwanten.
Waar en wanneer te zien
Het voorjaar, wanneer de bronnen het hoogst staan; in de zomer wordt het Anatolische binnenland heet en droog en trekken de standplaatsen terug tot de natste kernen. Zoek bij bronnen, watervalletjes en de bovenloop van beken in het bergland, en let op de natte, donkere strepen op de rotswand. De rozetten zitten vaak boven ooghoogte in een spleet of op een mospolster. Gebruik een verrekijker in plaats van te klimmen, en noteer standplaats, gesteente en hoogte — voor een soort die nog maar kort bekend is, is dat de nuttigste bijdrage die een waarnemer kan leveren.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde Rode Lijst; er is dus geen internationale categorie, en CITES is niet van toepassing. Wat te zeggen valt volgt uit de verspreiding: een Turkse endemeet met een klein areaal, gebonden aan permanent natte rotsstandplaatsen in een streek met lange, hete zomers. De risico's zijn navenant concreet: het vatten van bronnen voor drinkwater, irrigatie en toerisme, dalende grondwaterstanden bij langere droogte, en betreding rond populaire bron- en watervallocaties. Over de omvang van de populaties is nog weinig gepubliceerd; het ontbreken van een beoordeling weerspiegelt vooral dat gebrek aan gegevens.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula habilii | Yildirim, Senol & Pirhan, 2012
Beschreven door Hasan Yildirim, Serdar Gökhan Şenol en Ademi Fahri Pirhan in 2012, in Phytotaxa 64(1): 46–58. Het typegebied ligt in het zuidwesten van Anatolië, Turkije. De herkomst van de soortnaam habilii (vermoedelijk een eerbetoon aan een persoon met de naam Habil) kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.