Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula hondurensis

Pinguicula hondurensis

Het zuidelijkste lid van een groep Mexicaanse vetbladen met een lange kroonbuis leeft in Honduras. Pinguicula hondurensis werd pas in 2019 beschreven en groeit op open rotshellingen en -wanden in de bergen, ingeklemd tussen nevelwoud en bergbos, op hoogten tussen ruwweg vijftienhonderd en tweeëntwintighonderd meter. De bloem is groot en paars, met witte lijnen.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een losse rozet van vier en een halve tot acht, soms tien centimeter breed, met vier tot acht omgekeerd eironde bladeren van drie tot zes centimeter lang en anderhalf tot drieënhalve centimeter breed. Per plant staan één tot drie bloeistelen van twaalf tot zestien centimeter, groen of paars aangelopen. De bloem is drie tot ruim vier centimeter lang inclusief spoor: paars, met witte lijnen en een witte keel, een tweelobbige bovenlip en een drielobbige onderlip waarvan de middelste slip duidelijk groter is. De spoor is recht, cilindrisch tot priemvormig en slechts vier tot acht millimeter — opvallend kort bij zo'n lange kroonbuis. De lange kroonbuis in combinatie met een korte spoor is voor bestuivers betekenisvol: nectar die diep in de buis zit, is alleen bereikbaar voor insecten met een lange tong, en dat beperkt het aantal bezoekers.

Gelijkende soorten

De soort staat het dichtst bij Pinguicula utricularioides en P. rzedowskiana, beide uit Mexico, en verschilt daarvan doordat zij het hele jaar hetzelfde bladtype houdt en doordat de bloemen paars zijn. Dat eerste is in het veld het bruikbaarst: veel Mexicaanse vetbladen wisselen tussen grote zomerbladen en een compacte winterrozet, terwijl deze soort geen winterrozet vormt. Binnen Honduras zijn er nauwelijks alternatieven — een groot, paarsbloemig vetblad op een rotswand in het bergland is hier onmiskenbaar.

De val en hoe hij werkt

De bladeren dragen het gebruikelijke tweeledige klierdek: gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op rust, waarna het opgeloste voedsel door de bladhuid wordt opgenomen. Op een open, aan de wind blootgestelde rotswand is uitdroging het grootste risico voor zo'n val, en het is dan ook geen toeval dat de soort juist op de kant staat waar de vochtige noordoostenwind tegenaan slaat. Daar hangt de lucht vol vocht en blijven de kleefdruppels werkzaam.

Standplaats en ecologie

Blootliggende rotshellingen en -wanden die door de noordoostenwind worden bestreken, in de overgang van nevelwoud naar bergbos, met Clusia, cipres, amberboom en den in de omringende vegetatie. Het gaat dus niet om diep bos maar om de open plekken erin: rotsribben, kliffen en steile kanten waar bomen geen voet aan de grond krijgen en de vochtige zeewind vrij spel heeft. De vermelde hoogten lopen van ongeveer vijftienhonderd tot ruim tweeduizend meter. Die noordoostkant is in Honduras geen willekeurige richting: het is de kant waar de passaatwind het hele jaar vocht van de Caribische Zee aanvoert, en waar de wolken tegen de eerste bergkammen omhoog worden gedwongen. Juist daar ontstaat de permanente nevel waarvan deze soort leeft.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Honduras. De oorspronkelijke beschrijving noemt het centrum en het zuidoosten van het land; typemateriaal in de internationale gegevensbank komt daarnaast van de bergkam van Pico Bonito in het departement Atlántida, aan de noordkust, op ongeveer eenentwintighonderdvijftig meter. Het beeld is dus dat van een soort die op enkele geïsoleerde bergtoppen en -kammen van Honduras voorkomt, telkens in de smalle hoogtezone waar de wolken tegen de hellingen lopen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Wel is één eigenschap van de soort zelf het vermelden waard: hij is homofyl, dat wil zeggen dat hij het hele jaar hetzelfde bladtype draagt en geen compacte winterrozet vormt zoals veel verwanten in Mexico. De variatie die in de beschrijving is vastgelegd — vier tot acht bladeren, één tot drie bloeistelen — is beperkt en berust op een klein aantal verzamelingen. Dat homofylle gedrag zegt iets over het klimaat: waar een droog seizoen scherp genoeg is, loont het om een compacte overwinteringsrozet te maken, en waar de hellingen het hele jaar vocht uit de wolken krijgen, is dat niet nodig.

Waar en wanneer te zien

April en mei zijn de maanden: dan is de soort met bloemen en met zomerbladeren aangetroffen. Zoek op de open rotsdelen langs bergkammen en op kliffen die naar het noordoosten wijzen, in de zone waar het nevelwoud in lager bergbos overgaat. Dat betekent klimmen: de bekende vindplaatsen liggen hoog en zijn alleen over bergpaden te bereiken. Fotografeer bloem en spoor in profiel — juist de verhouding tussen de lange kroonbuis en de korte spoor is hier het kenmerk. Houd er rekening mee dat rotswanden in dit klimaat glad zijn van mos en algen; werk vanaf een veilige plek en gebruik een telelens in plaats van te klimmen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Hondurese endeem, pas in 2019 beschreven, bekend van enkele hooggelegen rotshabitats. De gedocumenteerde vindplaats op de kam van Pico Bonito ligt binnen een nationaal park, wat gunstig is; daarbuiten staan de bergbossen van Honduras onder druk van kap, brand en omzetting in landbouwgrond, en de smalle hoogtezone waarin deze soort leeft, schuift bij opwarming omhoog. Het ontbreken van een categorie is een direct gevolg van de recente beschrijving.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula hondurensis | Zamudio & Vega, 2019

Beschreven door Sergio Zamudio en Ricardo Vega in 2019. De soort is endemisch in Honduras. De soortnaam hondurensis verwijst rechtstreeks naar Honduras, het land waar de soort endemisch is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.