Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula ibarrae

Pinguicula ibarrae

Een fors, wit bloeiend vetblad van de lage nevelwouden bij Tlanchinol in Hidalgo, waar de Sierra Madre Oriental steil naar de Golfkust afdaalt en de nevel bijna dagelijks tegen de helling blijft hangen. Pinguicula ibarrae groeit daar op taluds van tertiaire schalie, en hij is met zomerbladeren tot bijna tien centimeter een van de grotere soorten van de streek. Beschreven in 2005, samen met P. martinezii, in één artikel over twee nieuwe vetbladen van dit gebergte.

Pinguicula ibarrae
Foto: Daderot in kweek — CC0 · Wikimedia Commons
Pinguicula ibarrae — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Daderot in kweek — CC0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Twee bladtypen, zoals bij de meeste Mexicaanse vetbladen. De zomerrozet telt (8)10 tot 20 dunne, omgekeerd eirond-spatelvormige bladeren van 35 tot 95 mm lang en 15 tot 45 mm breed, die vlak liggen en van de klierdruppels glanzen. De winterrozet bestaat uit 11 tot 20 vlezige, spatelvormige tot elliptische blaadjes van 12 tot 25 mm lang en 7 tot 12,5 mm breed. De bloemstelen worden 60 tot 150 mm hoog. De bloem is wit, soms met een lilakleurige rand, en meet 24 tot 35 mm inclusief het spoor; dat spoor is recht en 4,5 tot 8 mm lang, en staat in een hoek van ongeveer 130 tot 160 graden op de bloembuis. De bloei loopt van september tot maart en valt dus in de koelste, nevelrijkste maanden.

Gelijkende soorten

De soort waarmee hij in de beschrijving wordt vergeleken is Pinguicula pilosa uit Tamaulipas. P. ibarrae is in alle onderdelen groter: zomerbladeren van 35 tot 95 mm tegen 25 tot 40 mm, langere bloemstelen en grotere bloemen. Doorslaggevend is de stand van het spoor: bij P. ibarrae is het recht en staat het onder een flauwe hoek van 130 tot 160 graden op de buis, bij P. pilosa is het gebogen en staat het ongeveer haaks. De twee soorten komen bovendien in verschillende staten voor. Grootbloemige paarse soorten uit het P. moranensis-complex, die in Hidalgo hoger op de berg staan, zijn aan hun kleur en veel langere spoor te herkennen.

De val en hoe hij werkt

De brede zomerbladeren vormen een royale vangoppervlakte. Gesteelde klieren dragen een heldere, kleverige druppel; zittende klieren daartussen geven verteringsenzymen af zodra een prooi contact maakt, waarna de bladrand zich in de loop van een dag enkele millimeters over de vangst buigt. In het vochtige, warme laag-nevelwoud van Tlanchinol is het insectenaanbod groot en gevarieerd — dansmuggen, fruitvliegjes, bladvlooien, kleine kevers — en doordat de plant juist in de koele maanden bovengronds actief is, benut hij een periode waarin veel andere vleesetende planten in rust zijn. De winterrozet, die de warme, drogere maanden overbrugt, vangt niet.

Standplaats en ecologie

Hellingen en taluds van tertiaire schalie in het bosque mesófilo de montaña en in de overgang daarvan naar tropisch regenwoud, op 900 tot 1100 m hoogte. Dat is voor een Mexicaans nevelwoudvetblad opvallend laag: de meeste verwanten zitten boven de tweeduizend meter. De verklaring ligt in de ligging aan de oostflank van de Sierra Madre Oriental, waar vochtige lucht van de Golf tegen de helling opstijgt en de nevelzone tot ver beneden de gebruikelijke hoogte drukt. De planten zitten op de vochtige, losse schalie (R1), in halfschaduw onder het bladerdak (B1), op plekken waar het water na regen langs de wand loopt zonder te blijven staan.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de Mexicaanse staat Hidalgo, beschreven uit de omgeving van Tlanchinol op de oostflank van de Sierra Madre Oriental. Onze soortenlijst geeft Hidalgo en Veracruz; de oorspronkelijke beschrijving noemt Hidalgo, en de nevelwoudzone van Tlanchinol loopt wel door tot bij de grens met Veracruz, maar bevestiging voor vindplaatsen in die staat hebben wij niet gevonden. Het bekende areaal is dus klein: een strook nevelwoud langs één bergflank. Omdat die zone zich over tientallen kilometers uitstrekt en botanisch slecht is doorzocht, zijn meer populaties waarschijnlijk.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. Binnen de bekende populaties is er wel variatie in de bloem: van zuiver wit tot wit met een duidelijk lila omrande kroonslip, en de bloemgrootte loopt van 24 tot 35 mm. Ook de zomerbladeren wisselen sterk in formaat, van 35 tot 95 mm, wat vooral met de vochtigheid en lichtinval van de standplaats samenhangt: planten in een natte, beschaduwde spleet worden aanzienlijk groter dan die op een lichter, drogere talud. Dergelijke variatie is binnen de soort en heeft geen eigen naam gekregen. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld.

Waar en wanneer te zien

De maanden december tot februari zijn het beste: de bloei is dan op zijn hoogtepunt en het nevelwoud van Tlanchinol is koel en vochtig. Zoek langs de taluds en insnijdingen van de bergwegen tussen negenhonderd en elfhonderd meter, op plekken waar de losse grijsbruine schalie aan de oppervlakte komt en met mos is bedekt. De witte bloemen op stelen van tien tot vijftien centimeter zijn tegen de donkere wand goed te zien; de rozet zelf ligt plat en is lastiger. Betreed de taluds niet — de schalie kalft makkelijk af en neemt hele groepen planten mee.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een soort met een klein areaal in één nevelwoudzone, pas in 2005 beschreven, gebonden aan vochtige schalietaluds. Die standplaats is dubbelzinnig — bermtaluds van bergwegen bieden de soort juist geschikte plekken, maar ze worden ook regelmatig geschoond, verbreed of met beton afgedekt, en elk van die ingrepen wist een populatie uit. Het laag-nevelwoud van Tlanchinol staat daarnaast onder druk van koffieteelt, veeteelt en houtkap. Zonder formele toetsing is er geen categorie, maar de combinatie van klein areaal en kwetsbare standplaats is precies het profiel waarbij een beoordeling zinvol zou zijn.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula ibarrae | Zamudio, 2004

Beschreven door Sergio Zamudio in 2004, in Acta Botanica Mexicana 70: 69–83. Het typegebied ligt in de Sierra Madre Oriental, bij Tlanchinol, in de Mexicaanse deelstaat Hidalgo. De soortnaam ibarrae eert Adolfo Ibarra Vázquez, een Mexicaanse kweker van vleesetende planten die de soort ontdekte en in cultuur bracht.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.