Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula hirtiflora

Pinguicula hirtiflora

Van alle mediterrane vetbladen is dit de meest wijdverbreide: Pinguicula hirtiflora staat van Zuid-Italië door Albanië en Griekenland tot in Turkije, overal op dezelfde manier — vastgeklemd aan een druipende kalkwand, langs een beek, of zelfs midden in levend veenmos. Van zeeniveau tot zeventienhonderd meter, zolang het water maar blijft lopen.

Pinguicula hirtiflora
Foto: Nepenthesvillosa — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula hirtiflora — de bloem
De bloem · Foto: Santiago Martín-Bravo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula hirtiflora — de standplaats
De standplaats · Foto: Miltos Gikas — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van breed elliptische tot omgekeerd eivormige bladeren van drie tot zes centimeter lang en anderhalf tot tweeënhalve centimeter breed, met omgerolde randen en een stompe of ingesneden top; grote exemplaren halen vier centimeter breedte. Het blad is geelgroen, glinstert van de klierdruppels en voelt vettig aan. De bloem is wit, met een violetblauwe punt aan elke kroonslip en gele haren in de keel — de soortnaam verwijst naar die beharing. De kroon is met spoor zestien tot vijfentwintig millimeter, uitzonderlijk tweeëndertig, en de spoor zelf is zeven tot dertien millimeter, dus ruwweg de helft van de bloemlengte of meer.

Gelijkende soorten

De nauwste verwant is Pinguicula crystallina van Cyprus en Turkije, die in alle onderdelen kleiner is: bladeren van anderhalf tot tweeënhalve centimeter, een kroon van acht tot vijftien millimeter en vooral een veel kortere spoor van vier tot zes millimeter, ongeveer een derde van de kroonlengte. De twee zijn lange tijd als één soort met twee ondersoorten behandeld. Daarnaast bestaat er een langgespoorde variëteit op de Balkan met een spoor die de rest van de bloem kan evenaren, en in Griekenland en Zuidwest-Turkije komt P. megaspilaea voor, met opvallend lange, lijnvormige zomerbladeren.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die in dit klimaat het hele jaar door kan werken. Op het blad staan gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er prooi op ligt. De vangst is gevarieerd — muggen, vliegjes, kleine kevertjes, springstaarten — omdat de soort in zulke uiteenlopende milieus staat, van de spatzone van een waterval tot een veenmoskussen. Na een vangst rolt de bladrand zich over de prooi zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan. Juist op doorspoelde kalkwanden, waar geen enkel voedingsstof blijft liggen, is dat de enige manier om aan stikstof te komen.

Standplaats en ecologie

Permanent natte standplaatsen in de breedste zin: druipende kalkwanden, kalkkwelplekken, oevers van beken, natte serpentijnrots en zelfs hoogveenachtige plekken met levend veenmos. De soort is daarmee veel minder kieskeurig in substraat dan de meeste vetbladen in deze gids — kalk, serpentijn en zuur veen worden alle bewoond — maar volstrekt afhankelijk van een constante watervoorziening. De hoogteligging loopt van zeeniveau tot zeventienhonderd meter, waarbij de laagste standplaatsen aan de kust liggen en de hoogste in de Griekse en Albanese bergen.

Verspreiding en hoogte

Zuid-Europa: Zuid-Italië (Campanië en Calabrië), Albanië, Noord-Macedonië, Griekenland en het aangrenzende deel van Turkije, met daarnaast ingeburgerde populaties in Frankrijk, Zwitserland en Tsjechië. Het is daarmee de enige soort in deze groep die buiten het eigen gebied stand heeft gehouden, waarschijnlijk vanuit botanische tuinen. Onze eigen soortenlijst noemt Italië, Albanië, Griekenland, het noordwestelijke Balkanschiereiland en Turkije; de ingeburgerde Midden-Europese voorkomens staan daar niet bij en zijn hier toegevoegd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 37 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Anders dan bij de meeste soorten in deze gids worden hier wel variëteiten in het wild onderscheiden. Naast de gewone vorm bestaat een variëteit met veel kleinere bladeren, nauwelijks omgerolde bladranden, volledig afgeronde kroonslippen en een uitzonderlijk lange spoor van dertien tot twintig millimeter, die de rest van de bloem kan evenaren of overtreffen; die planten staan in Albanië op vochtige kalkweiden en sijpelhellingen en op de Olympus in Griekenland. Daarnaast zijn er in Zuid-Italië planten met afwijkend witte bloemen gemeld. De soort telt 28 chromosomen.

Waar en wanneer te zien

In dit klimaat is het voorjaar de beste tijd, maar in de bergen loopt de bloei door tot in de zomer. Zoek altijd aan het water: volg een beek stroomopwaarts naar de bron, kijk naar de natte, donkere banen op een kalkwand en let op de spatzone van watervalletjes. De rozetten zitten vaak boven ooghoogte. Het witte bloempje met de blauwe punten valt van dichtbij meteen op maar verdwijnt van een paar meter tegen het natte gesteente, dus kom dichtbij of gebruik een verrekijker. Loop niet over veenmoskussens waar de soort in groeit.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd, en dat is met een areaal dat van Italië tot Turkije reikt en met standplaatsen van zeeniveau tot zeventienhonderd meter ook aannemelijk. Op nationaal niveau ligt het anders: in Italië staat de soort onder druk doordat de bronmilieus van Campanië en Calabrië klein en verspreid zijn en het water ervan wordt gevat. Overal geldt hetzelfde patroon: het aftappen van bronnen voor drinkwater en irrigatie, dalende grondwaterstanden in drogere zomers, en betreding rond populaire waterval- en bronlocaties. CITES is niet van toepassing.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula hirtiflora | Tenore, 1815

Beschreven door Michele Tenore in 1815. De soort komt voor rond de Middellandse Zee, onder meer in Italië en op de Balkan, en wordt vaak verward met de nauw verwante P. balcanica. De soortnaam hirtiflora is samengesteld uit het Latijnse hirtus ("ruw behaard") en flos ("bloem") en verwijst naar de beharing op de bloemstengel en kelk.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.