Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula infundibuliformis

Pinguicula infundibuliformis

De soortnaam zegt wat je moet zien: infundibuliformis betekent trechtervormig, en dat slaat op de bouw van de bloem. De soort werd in 2003 beschreven naar materiaal dat al in 1968 was verzameld op het hoogplateau bij Mina Iberia, in het nevelbos achter Baracoa — een goede illustratie van hoe de Cubaanse vetbladen zijn ontstaan als wetenschappelijke namen: decennia in het herbarium, en pas daarna een naam.

Pinguicula infundibuliformis
Foto: J. L. Gómez-Hechavarría — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die tegen vochtige bodem of rots aan ligt, aan de bovenkant dicht bezet met steelklieren. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen met elk één bloem. Het onderscheidende kenmerk zit in die bloem: de kroon loopt van achteren naar voren trechtervormig uit, een vorm die in de oorspronkelijke beschrijving de naam heeft opgeleverd. In het veld, zonder bloem, is de plant een klein glanzend rozetje dat je alleen vindt als je er bewust naar zoekt. Zoals bij alle vetbladen zijn het blad en de bloemsteel van dezelfde klieren voorzien; wie een loep meeneemt, ziet op de steel dezelfde glinsterende druppeltjes als op het blad. De vruchten zijn kleine doosjes met stofzaad.

Gelijkende soorten

In hetzelfde oostelijke bergland staan verschillende nauw verwante vetbladen — onder meer Pinguicula jaraguana en P. moaensis — en die zijn zonder bloem niet met zekerheid te scheiden. Het beste veldkenmerk is de bloemvorm in combinatie met de standplaats: deze soort is verzameld op het koele, mistige plateau en langs een rivier op iets lagere hoogte, terwijl P. moaensis typisch in de serpentijnstruwelen langs beken op lagere hoogte zit. Fotografeer bij twijfel de bloem van opzij, zodat de vorm van kroonbuis en spoor zichtbaar is.

De val en hoe hij werkt

Het blad werkt als lijmval met twee soorten klieren: gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. De bladrand rolt daarbij langzaam naar de prooi toe, zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan; na de vertering strekt het blad zich weer. In een nevelbos is de luchtvochtigheid permanent hoog en drogen de kleefdruppels vrijwel nooit uit, wat de val het hele jaar door bedrijfsklaar houdt. De vangst bestaat vooral uit muggen en andere kleine tweevleugeligen uit de vochtige onderlaag van het bos.

Standplaats en ecologie

De typestandplaats wordt op het etiket kortweg monte nublado genoemd: nevelbos, op zes- tot zevenhonderd meter op het plateau bij Mina Iberia. Daarbij komt een vondst langs de oevers van de río Jiguaní bij La Melba. Het gaat dus om permanent vochtige plekken in een bergbos dat een groot deel van het jaar in de wolken hangt, op de arme, metaalrijke bodems van het Moa–Baracoa-massief. In zo'n milieu is water nooit het beperkende element, maar minerale voeding wel — en daar past vleeseterij precies in.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba en beperkt tot het uiterste oosten: de provincies Guantánamo (het plateau bij Mina Iberia, gemeente Baracoa) en Holguín (de rivier Jiguaní bij La Melba). Dat is een gebied van enkele tientallen vierkante kilometers, midden in een van de meest endemierijke landschappen van het Caribisch gebied. Recente Cubaanse monitoringgegevens bevestigen de soort in beide provincies, wat betekent dat de historische vindplaatsen niet louter museumgeschiedenis zijn. Dat de typevindplaats op het plateau ligt en de tweede vondst langs een rivier honderden meters lager, betekent dat de soort niet strikt aan één hoogtezone gebonden hoeft te zijn maar aan een voorwaarde: bodem die het hele jaar nat blijft.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Bij een soort die van zo weinig plekken bekend is, is de variatiebreedte eenvoudig nog niet vastgesteld; wat op etiketten verschilt is vooral standplaatshoogte, met de typevindplaats op het plateau en de paratypevindplaats lager langs de rivier. Of dat verschil zich in morfologie vertaalt, is een vraag voor wie de twee populaties naast elkaar kan leggen. De soort staat in ieder geval dicht bij de andere kleinbloemige vetbladen van Oost-Cuba, en die groep is taxonomisch nog niet uitgekristalliseerd.

Waar en wanneer te zien

Dit is nevelbosterrein: reken op modder, steile hellingen en dagen zonder uitzicht. Zoek op permanent natte plekken — aardwanden langs paden, de voet van rotsblokken, oevers van beekjes — en let op mosrijke plekken waar het water blijft sijpelen. Kijk tegen het licht in, zodat het klierdek oplicht; van bovenaf lijkt de rozet op een plukje mos. Het gebied ligt in en rond beschermde natuurgebieden; een lokale gids en toestemming zijn hier geen formaliteit maar een voorwaarde.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Oost-Cubaanse endeem, bekend van twee gebieden in het Moa–Baracoa-massief, gebonden aan permanent vochtig nevelbos en rivieroevers. De bedreigingen in die regio zijn geen abstractie: nikkelwinning op de serpentijnbodems, houtkap en wegaanleg raken precies de hoogtezone waarin de soort is verzameld, en een droger wordend klimaat verlaagt de wolkenbasis waarvan het nevelbos leeft. Er is geen internationale categorie; dat is een leemte in het dossier, geen conclusie.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula infundibuliformis | Casper, 2003

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2003. Het typegebied ligt op het Iberia-hoogplateau bij Baracoa, in de provincie Guantánamo in het oosten van Cuba, op 600 tot 700 meter hoogte; het typemateriaal werd in 1968 verzameld door J. Bisse en E. Köhler. De soortnaam infundibuliformis is samengesteld uit het Latijnse infundibulum ("trechter") en -formis ("vormig") en verwijst naar de trechtervormige bloemkroon.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.