Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula jarmilae
Pinguicula jarmilae
Een vetblad dat pas in 2007 een naam kreeg en twee keer achter elkaar is beschreven: eerst als Pinguicula jarmilae, een jaar later nog eens als P. chuquisacensis, voordat iemand doorhad dat het om dezelfde plant ging. Hij groeit op één zandsteenwand in het Boliviaanse bergland, op ruim tweeduizendvierhonderd meter, waar de wolken elke middag tegen de rots aan lopen en de steen nooit helemaal droog wordt.

Herkenning
Een kleine, wat scheef opstaande rozet van vier tot zes langwerpige tot eirond-langwerpige bladeren die plat tegen het mos of de natte steen aan liggen. De bovenkant is bedekt met de gebruikelijke twee soorten klieren en glanst vochtig; de bladrand is licht opgerold. De soort maakt geen winterknop — hij blijft het hele jaar door in blad, wat past bij een standplaats zonder echte vorstperiode maar met een uitgesproken natte en droge tijd. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één bloem. De bloem is klein: dertien tot vijftien millimeter lang met de spoor meegerekend, tweelippig, met een korte, stompe spoor van twee tot drie millimeter. Bloeitijd juli; in november staan er nog vruchten aan de plant terwijl er ook nog bloemen open zijn, zodat de bloeiperiode in de praktijk langer loopt dan die ene maand.
Gelijkende soorten
Binnen Bolivia is verwarring vooral mogelijk met Pinguicula involuta, die in hetzelfde land op mossige rotsen groeit maar hoger zit, tussen tweeduizendzevenhonderd en drieduizendvierhonderd meter, en nog kleinere bloemen van tien tot twaalf millimeter heeft met een duidelijk gekromde spoor. Genetisch onderzoek plaatst deze soort dicht bij P. involuta en bij P. calyptrata uit het noorden van de Andes; de drie vormen samen de Zuid-Amerikaanse kern van het geslacht. Het betrouwbaarste onderscheid is voorlopig geografisch: wie in het bergland van Chuquisaca op zandsteen een vetblad vindt, heeft vrijwel zeker deze soort voor zich, want P. involuta is daar niet aangetroffen.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval van het gewone vetbladtype, maar met een ononderbroken bedrijfstijd. Op het blad staan gesteelde klieren die een heldere, taaie druppel vasthouden, en zittende klieren die pas verteringsenzymen loslaten wanneer er iets op ligt. Kleine insecten die op het glanzende oppervlak landen, blijven kleven; hun gespartel brengt ze in contact met meer klieren, en de bladrand rolt zich daarna traag naar de prooi toe zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan in plaats van langs de steile rots weg te lopen. Dat laatste is op een verticale wand geen detail maar het verschil tussen verteren en verliezen. Omdat de plant geen winterknop maakt, vangt hij het hele jaar door; in de mistige maanden is het aanbod aan kleine tweevleugeligen op de rotswand het grootst.
Standplaats en ecologie
Een natte, halfbeschaduwde zandsteenwand in de nevelzone van het Boliviaanse bergland (R1), op ongeveer tweeduizendvierhonderd meter, waar het gesteente zuur is en de plant het van doorsijpelend water en mist moet hebben in plaats van van de bodem. De rotswand ligt in het overgangsgebied tussen nevelbos en open bergvegetatie (B1), met vrijstaande, onbegroeide plekken waar geen concurrentie is. Voeding zit er in zo'n situatie nauwelijks: het water spoelt langs het oppervlak en neemt mee wat er los ligt. Precies dat maakt het vangen van insecten hier rendabel.
Verspreiding en hoogte
De soort is bekend uit één dal in het departement Chuquisaca in het zuiden van Bolivia en is daarmee endemisch voor dat land. Alle bekende planten staan bij elkaar op één rotsformatie; van een echte verspreiding kan men eigenlijk niet spreken. De hoogteligging is met ongeveer tweeduizendvierhonderd meter laag voor een Andes-vetblad — de meeste Zuid-Amerikaanse soorten zitten hoger, in de páramo of de puna. Of er elders in het Boliviaanse bergland nog populaties staan is een open vraag; het gebied is botanisch slecht doorzocht en soortgelijke zandsteenwanden komen er meer voor.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of ondersoorten in het wild onderscheiden, wat bij een soort die uit één populatie bekend is ook niet te verwachten valt. De belangrijkste vormvariatie in het dossier is er een van naamgeving en niet van planten: de beschrijving als P. chuquisacensis in 2008 is gebaseerd op materiaal dat niet van P. jarmilae te onderscheiden bleek, en die naam wordt nu als synoniem gevoerd. Wie oudere literatuur of oude etiketten tegenkomt, vindt de soort dus onder twee namen. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld; er is in het gebied geen tweede vetbladsoort om mee te kruisen.
Waar en wanneer te zien
Dit is geen soort die je tegenkomt door ergens rond te lopen. Wie in het Boliviaanse bergland zoekt, moet zich richten op vochtige zandsteenwanden op een noordhelling in de nevelzone, waar mossen en varens een aaneengesloten laag vormen en het water de hele dag langs de steen loopt. Zoek laag, vlak boven de basis van de wand en onder overhangende stukken die de regen breken. Juli is de bloeimaand, maar de rozetten zijn het hele jaar aanwezig. Tegenlicht helpt: de klierdruppels lichten dan op tegen het donkere, natte gesteente.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, zodat er geen internationale categorie is, en ze staat niet in CITES. Wat wel bekend is, is verontrustend: de beschrijvers van P. chuquisacensis — nu als dezelfde plant beschouwd — stelden voor de soort als ernstig bedreigd te beschouwen, op grond van één bekende groeiplaats, een zeer klein aantal volwassen planten en een leefgebied dat aan één rotswand hangt. Een enkele brand, een wegaanleg of een verschuiving in het neerslagpatroon kan de hele wereldpopulatie raken. Het ontbreken van een formele beoordeling betekent hier dus vooral dat niemand de zaak nog officieel heeft doorgerekend, niet dat er geen probleem is.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula jarmilae | Halda & Malina, 2007
Beschreven door Josef Jaroslav Halda en Marcel Malina in 2007, in Acta Musei Richnovensis, Sectio Naturalis 14(4): 110. Het typemateriaal was illegaal in het wild verzameld; nadat dit bekend werd, publiceerden andere auteurs (Beck, Fleischmann, Huaylla, Müller & Borsch) in 2008 in Willdenowia 38: 201–212 een tweede naam, Pinguicula chuquisacensis, op basis van legaal verzameld materiaal — maar omdat P. jarmilae als eerste geldig gepubliceerd was, geniet die naam prioriteit. De soort komt voor in de Andes van Bolivia, op hoogten van ongeveer 2100 tot 2500 meter. De soortnaam eert een vrouw genaamd Jarmila; wie zij precies was, kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.