Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula lilacina
Pinguicula lilacina
Een eenjarige vleeseter — binnen dit geslacht een uitzondering. Pinguicula lilacina kiemt met de regens, groeit uit tot een bescheiden rozet, bloeit, zet zaad en verdwijnt weer; de droge tijd wordt niet door de plant maar door het zaad overbrugd. Het is bovendien een van de weinige Mexicaanse vetbladen die tot ver in Midden-Amerika doorloopt, en daarmee niet endemisch is.

Herkenning
Een vlakke rozet van vijf tot vijftien rond-eivormige tot omgekeerd eironde bladeren met een wigvormige voet, 15 tot 45 mm lang en 9 tot 23 mm breed, lichtgroen en kleverig. De plant vormt geen winterrozet en geen knop: er is maar één bladtype. Uit het hart komen één tot negen zeer dunne, draadvormige bloemstelen van 3,5 tot 17 cm. De bloemen zijn klein, 8 tot 17 mm inclusief spoor, lila tot witachtig lila, bleekblauw of bijna wit, met een gele vlek in de keel; de kroonslippen zijn 4 tot 5 mm lang. De spoor is kort en stomp, ruwweg 1,5 tot 4 mm. Een bloeiende plant met meerdere dunne steeltjes tegelijk is in het veld kenmerkend. De doosvruchten zijn klein en rijpen snel; het stoffijne zaad komt al enkele weken na de bloei vrij en vormt de zaadbank waar de volgende generatie uit voortkomt. Een populatie bestaat dus feitelijk voor het grootste deel van het jaar uitsluitend uit zaad in de bodem.
Gelijkende soorten
Het eenjarige karakter en het ontbreken van een winterrozet scheiden de soort van vrijwel alle Mexicaanse verwanten. De meest verwarrende soort is Pinguicula takakii, eveneens klein en eenjarig, maar die groeit op gipsbodem terwijl P. lilacina op rotsige, meestal niet-gipshoudende grond staat. Ook P. sharpii uit Chiapas is eenjarig, maar heeft een veel kleinere, overwegend witte bloem met een spoor van hooguit tweeënhalve millimeter. Bij grotere, meerjarige vetbladen met een winterknop hoeft men niet te twijfelen.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die maar één seizoen mee hoeft. Het bladoppervlak draagt gesteelde klieren met een kleverige druppel en zittende klieren die enzymen afgeven zodra een prooi contact maakt; de bladrand rolt zich licht naar binnen om het vocht vast te houden. Omdat de plant zijn hele levenscyclus binnen enkele maanden afwikkelt, is de voedingswinst uit insecten hier bijzonder direct: wat gevangen wordt, gaat vrijwel onmiddellijk naar bloei en zaadzetting in plaats van naar een reserve voor volgend jaar. De prooi is klein: muggen, vliegjes en springstaarten.
Standplaats en ecologie
Rotsige plekken, taluds en bosranden in eikenbos, dennen-eikenbos en nevelwoud, in een halfvochtig tot vochtig klimaat (B5, R2). De soort komt ook op seizoensdroge, ondiepe gronden voor waar de vegetatie in het droge seizoen geheel afsterft (D4). Ze mijdt zware, gesloten bodems en groeit bij voorkeur waar de bodemlaag dun is en de concurrentie daardoor laag blijft: op grind, tussen rotsblokken, op wegtaluds en aan de voet van rotswanden. De hoogteligging is breed, van ongeveer zevenhonderd tot vierentwintighonderd meter.
Verspreiding en hoogte
De ruimste verspreiding van alle soorten in deze groep. P. lilacina komt voor in een groot deel van Mexico — onder meer Oaxaca, Guerrero, Veracruz, Querétaro, San Luis Potosí, Nuevo León, Tamaulipas, Sinaloa en Chihuahua — en loopt door tot in Guatemala, met opgaven tot Honduras. Onze soortenlijst noemt Oaxaca en Chiapas; dat is te eng, want de gepubliceerde verspreiding reikt veel verder naar het noorden en buiten Mexico. De soort is daarmee niet endemisch.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De bloemkleur varieert sterk binnen en tussen populaties, van duidelijk lila via bleekblauw tot vrijwel wit, en ook het aantal bloemstelen per plant loopt sterk uiteen. Er worden geen wilde variëteiten onderscheiden; de variatie hangt vooral samen met standplaats en groeiseizoen, want een plant die in een nat jaar veel vangt, maakt meer en grotere bloemen. Doordat de soort eenjarig is en geen vegetatieve vermeerdering kent, ontbreken de klonale kolonies die bij verwanten zo opvallen: elke plant staat op zichzelf. Voor een soort met zo'n groot areaal is het opvallend hoe weinig geografische structuur er in die variatie zit: planten uit Chihuahua en uit Guatemala verschillen onderling niet meer dan planten binnen één populatie. Dat past bij een eenjarige met stoffijn, ver verspreid zaad.
Waar en wanneer te zien
De bloeitijd valt buiten de zomerregens, ruwweg van oktober tot april, wat de soort tot een prettige uitzondering maakt voor wie in het droge seizoen reist. Zoek op wegtaluds, aan de voet van rotsen en op open plekken in eikenbos, en kijk naar de dunne steeltjes met bleeklila bloempjes — die vallen eerder op dan de rozet zelf. Ga laag zitten; de rozet is klein en gaat tussen mos en strooisel volledig verloren. Een plek waar de soort vorig jaar stond, kan dit jaar leeg zijn: de zaadbank bepaalt waar de planten opkomen.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en niet in CITES opgenomen. Wat bekend is, geeft weinig aanleiding tot zorg op soortniveau: de verspreiding is zeer ruim, van noordelijk Mexico tot in Midden-Amerika, en de soort groeit met voorkeur op verstoorde, ondiepe plekken zoals wegtaluds, waar ze van menselijke ingrepen eerder profiteert dan lijdt. Plaatselijk kan ze wel verdwijnen wanneer een talud wordt vastgelegd of een bosrand dichtgroeit. Het eenjarige karakter maakt tellingen lastig: een leeg jaar zegt weinig zolang de zaadbank intact is.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula lilacina | Chamisso & Schlechtendal, 1830
Beschreven door Diederich Franz Leonhard von Schlechtendal en Adelbert von Chamisso in 1830, in Linnaea 5: 94. De soort komt voor in de staten Nayarit en Veracruz, in de Trans-Mexicaanse Vulkanische Gordel, in pijnboom-eikenbossen en nevelwoud. De naam "lilacina" (lila-kleurig) verwijst naar de bloemkleur, die lila of wit is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.