Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula lusitanica
Pinguicula lusitanica
Het enige Europese vetblad dat geen winterknop maakt en het hele jaar door in blad staat. Pinguicula lusitanica is een plant van de Atlantische kustgordel: van Portugal en Noordwest-Spanje via westelijk Frankrijk tot Ierland en Schotland, en met een voet in Noordwest-Afrika. Hij is klein, bleek en verrassend onopvallend voor een soort die zo wijd verbreid is.

Herkenning
Een kleine, vlakke rozet van langwerpige bladeren van zeven tot dertig millimeter lang, met sterk omgerolde randen. Het blad is olijfgroen en gemarmerd met paarsrode aderen — een kenmerk dat geen enkel ander Europees vetblad heeft en dat de soort ook zonder bloem onmiddellijk verraadt. Uit de rozet komen één tot zes dunne, klierachtige bloemstelen tot twintig centimeter hoog. De bloem is klein, vijf tot negen millimeter, bleeklila tot rozeachtig met een duidelijk gele keel; de spoor is stomp, teruggebogen en geelachtig, tweeënhalf tot vierenhalf millimeter. Bloeitijd maart tot mei, in koelere streken doorlopend tot in augustus. De plant is kortlevend en zaait zich rijk uit.
Gelijkende soorten
In hetzelfde gebied staan Pinguicula vulgaris en, in de Pyreneeën, P. grandiflora en P. longifolia; alle drie zijn aanzienlijk groter, hebben een violette tot blauwpaarse bloem van meer dan vijftien millimeter en effen groene bladeren. Het paarsgeaderde blad en de bleke, kleine bloem met gele keel maken P. lusitanica onmiskenbaar. Een tweede verschil dat in de winter opvalt: waar de andere Europese soorten zich in die tijd tot een knop terugtrekken, staat deze gewoon in blad. Wie in West-Europa midden in de winter een vetbladrozet vindt, heeft vrijwel zeker deze soort.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die het hele jaar door draait — uniek onder de Europese soorten. De gesteelde klieren dragen een kleefdruppel, de zittende klieren daaronder scheiden verteringsenzymen af zodra er een prooi op het blad ligt, en de bladrand rolt zich traag naar binnen. Doordat de plant ook in de winter actief is, vangt hij in het zachte Atlantische klimaat zelfs in de donkere maanden nog kleine insecten. Het formaat van de rozet is klein, dus de opbrengst per plant is bescheiden; daar staat tegenover dat de soort kortlevend is en veel zaad maakt, zodat de investering per individu laag blijft. Op zure, uitgeloogde bodems met bijna geen minerale voeding is dat een werkbare strategie.
Standplaats en ecologie
Natte heide en vennen op zure, zandige of venige bodem (W4), de oevers van beekjes en greppels (W7), vochtige graslanden en moerasranden (W6), en — meer dan bij de meeste vetbladen — door de mens gemaakte natte plekken zoals bermen, greppelkanten en pas afgestoken turfputten (H1). De soort is een pionier: hij verschijnt snel op open, natte grond en verdwijnt weer zodra de vegetatie zich sluit. De bodem is altijd zuur en kalkarm; de hoogteligging loopt van tien tot twaalfhonderd meter, met het zwaartepunt in het laagland.
Verspreiding en hoogte
Een uitgesproken Atlantische verspreiding: Portugal en de westelijke helft van Spanje, westelijk Frankrijk, Ierland en westelijk Groot-Brittannië tot in Schotland, plus een voorkomen in Noordwest-Afrika. De soort is dus niet endemisch. Onze eigen soortenlijst geeft 'Portugal tot Schotland', wat het Europese deel goed samenvat maar het Marokkaanse deel van het areaal weglaat. In Nederland en België komt de soort niet voor; de dichtstbijzijnde populaties staan in westelijk Frankrijk.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De variatie zit in de intensiteit van de paarsrode bladaderen — bij veel licht sterker dan in de schaduw — en in de bloemkleur, die van bijna wit tot duidelijk roze loopt. Ook het aantal bloemstelen per plant wisselt sterk met de groeiomstandigheden. Doordat de soort kortlevend is en zich door zaad verjongt, kunnen populaties van jaar tot jaar sterk in omvang verschillen zonder dat er iets aan de hand is. Natuurlijke hybriden met andere vetbladen zijn niet beschreven; de soort staat binnen het geslacht tamelijk geïsoleerd.
Waar en wanneer te zien
Zoek in het voorjaar op open, natte, zure grond — en denk daarbij vooral aan plekken waar de bodem recent is opengemaakt: de rand van een greppel, een pad door een nat heideveld, een afgeplagde plek, de oever van een beekje. De rozet is klein en licht van kleur maar het gemarmerde blad is zeer karakteristiek; ga op de knieën en kijk met een loep. De bloem is bleek en klein en valt nauwelijks op, dus gebruik het blad als zoekbeeld. Omdat de plant ook 's winters in blad staat, is er buiten het seizoen ook iets te vinden.
Staat van instandhouding
De soort is op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst beoordeeld als niet bedreigd en staat niet in CITES. Dat past bij een areaal dat van Marokko tot Schotland reikt en bij een pionier die snel nieuwe, natte plekken koloniseert. Regionaal is het beeld minder gunstig. Aan de oostrand van het areaal, in Frankrijk en in delen van Spanje, is veel natte heide ontwaterd, bemest of met naaldhout beplant, en daar staat de soort op regionale rode lijsten. In Groot-Brittannië en Ierland gaat het verlies vooral om het rechttrekken en dieper maken van greppels en het dichtgroeien van niet meer begraasde natte heide. Als pionier profiteert hij anderzijds van beheer dat de bodem openmaakt — een soort die zich laat helpen.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula lusitanica | Linnaeus, 1753
Beschreven door Carl Linnaeus in 1753, in Species Plantarum: 17. De soort komt voor langs de Atlantische kust van West-Europa, van Portugal en Spanje tot Groot-Brittannië en Ierland. De naam "lusitanica" verwijst naar Lusitania, de Romeinse naam voor het gebied dat ongeveer overeenkomt met Portugal, waar Linnaeus materiaal van deze soort vandaan had.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.