Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula villosa
Pinguicula villosa
Het kleinste vetblad van het noordelijk halfrond, en waarschijnlijk het gemakkelijkst over het hoofd te zien. Pinguicula villosa heeft een rozet ter grootte van een vingernagel, een bloem van nog geen centimeter en een behaarde bloemsteel van een paar centimeter hoog — en groeit in een gordel die van Lapland via Siberië helemaal tot Alaska doorloopt, bijna altijd boven op de droge kop van een veenmosbult.




Herkenning
Een minuscule rozet van bladeren van acht tot tien millimeter lang en vier tot zes breed, met een opgerolde rand, meestal half weggezakt tussen het veenmos. De soortnaam slaat niet op het blad maar op de bloemsteel: die is dertig tot zestig millimeter hoog en duidelijk behaard met lange, priemvormige haren, wat met een loep onmiddellijk opvalt en het beste veldkenmerk van de soort is. De bloem is bleekviolet, zes tot negen millimeter lang, met gele strepen in de keel die als honingmerk dienen; de spoor is cilindrisch tot kegelvormig en twee tot drie millimeter lang, ongeveer half zo lang als de rest van de bloem. Na de bloei trekt de plant zich terug in een winterknop, die de lange, diep bevroren winter onder de sneeuw doorbrengt.
Gelijkende soorten
In hetzelfde gebied komen Pinguicula vulgaris en P. alpina voor, maar beide zijn twee tot vier keer zo groot en hebben een kale bloemsteel; alleen dat laatste kenmerk is al beslissend. In Siberië en het Russische Verre Oosten staan bovendien P. algida en P. spathulata, ook kleine soorten, maar met een witte tot driekleurige bloem en zonder de opvallende beharing van de steel. Wie in een hoogveen een vetblaadje op een veenmosbult ziet zitten dat kleiner is dan een vingernagel en een behaard steeltje heeft, kan het rustig op deze soort houden.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval met een minimale oppervlakte, en dat betekent dat elk blaadje telt. De gesteelde klieren houden een druppel vast die op het open veen door wind en zon snel zou indrogen als de plant niet vlak boven het permanent vochtige veenmos zat; de zittende klieren eronder scheiden pas enzymen af zodra er een prooi op ligt, en de bladrand rolt daarna langzaam naar binnen. Het aanbod op een hoogveen is beperkt tot kleine tweevleugeligen, springstaarten en mijten, maar in de korte noordelijke zomer zwermen die in enorme aantallen. Veenmosveen is met zijn extreem lage stikstofgehalte en zure water misschien wel de armste bodem van het noordelijk halfrond — precies het milieu waarin een vangst het verschil maakt.
Standplaats en ecologie
Hoogveen en veenmosbulten in de boreale en subarctische zone (W1), vrijwel altijd op de bultenkoppen en niet in de natte slenken, en verder op de venige bodem van open, drassig naaldbos en moerasbos (B4). De plant groeit met de rozet op het levende veenmos, dat met de plant mee omhoog groeit; het water is zuur en uiterst voedselarm. De standplaats is open, want in de slenken zou de plant verdrinken en onder een gesloten boomlaag verdwijnen. Vaak staat hij in gezelschap van veenbes, lavendelheide en zonnedauw — een klassieke hoogveengemeenschap.
Verspreiding en hoogte
Een circumboreale verspreiding: van Scandinavië en Lapland door Noord-Rusland en heel Siberië tot het Russische Verre Oosten en Noord-Korea, en verder over de Beringstraat door Alaska en Canada. De soort ontbreekt op Groenland, IJsland en Spitsbergen, wat in een verder aaneengesloten noordelijke verspreiding opvalt. Hij is dus allerminst endemisch. In Europa komt hij niet zuidelijker voor dan de boreale zone van Fennoscandinavië en het noordwesten van Rusland; in Nederland en België is hij nooit aangetroffen en gezien het klimaat is dat ook niet te verwachten.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden, en voor een soort met zo'n groot areaal is P. villosa opmerkelijk eenvormig. Wat varieert is vooral de grootte: planten op een blootgestelde bultkop blijven kleiner dan planten in de luwte van dwergstruiken, en de bloemsteel is in het uiterste noorden korter. De intensiteit van het violet in de bloem wisselt van vrijwel wit tot duidelijk lila. Natuurlijke hybriden met P. vulgaris zijn beschreven waar beide soorten in hetzelfde veen staan; ze zijn zeldzaam, tussenliggend van vorm en vrijwel altijd onvruchtbaar, en horen in deze gids bij de ouders.
Waar en wanneer te zien
Ga in juni of juli een hoogveen op en kijk naar de bulten, niet naar de slenken. Deze plant zit bijna altijd op de droge kop van een veenmosbult, tussen de Sphagnum-koppen in, en is zo klein dat je hem staand nooit ziet. Ga op de knieën en zoek naar het steeltje: een paar centimeter hoog, behaard, met één bleeklila bloempje erop. Dat steeltje is wat je vindt, niet de rozet. Loop voorzichtig — veenbulten zijn traag in herstel — en gebruik een loep, want zonder vergroting is de beharing niet te zien.
Staat van instandhouding
De soort is op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst beoordeeld als niet bedreigd, en dat is bij dit areaal begrijpelijk: hij komt voor over een gordel van duizenden kilometers door Eurazië en Noord-Amerika, in een landschapstype dat op die breedtegraden nog altijd in enorme oppervlakten aanwezig is. Hij staat niet in CITES. Lokaal ligt het anders. Aan de zuidrand van het areaal — Fennoscandinavië, de Baltische staten, het zuiden van Canada — is veel hoogveen ontwaterd voor bosbouw en turfwinning, en daar staat de soort op nationale rode lijsten. Op langere termijn is de grootste onzekerheid het dooien van de permafrost en het verdrogen van de noordelijke venen; dat raakt niet een enkele populatie maar het leefgebied als geheel.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula villosa | Linnaeus, 1753
Beschreven door Carl Linnaeus in 1753, in Species Plantarum, editie 1: 17. De soort komt voor in het noordelijke deel van het noordelijk halfrond, in venige, arctisch-alpiene en subarctische gebieden. De naam "villosa" is Latijn voor "harig, ruig" en verwijst naar de opvallend behaarde bloemsteel van deze soort, met lange, priemvormige haren.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.