Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula moaensis
Pinguicula moaensis
De Sierra de Moa in het uiterste noordoosten van Cuba is een van de vreemdste landschappen van het Caribisch gebied: een golvend plateau van roodbruine, metaalrijke serpentijnbodem, begroeid met een laag, hard struweel dat charrascal heet, doorsneden door kristalheldere beken. Pinguicula moaensis is het vetblad van precies die beekoevers — een plant die zijn hele bestaan ontleent aan de smalle strook waar het water het struweel raakt.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die tegen de natte oeverbodem of de kale rots ligt, met een dicht klierdek dat in schuin licht als dauw oplicht. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen, elk met één tweelippige bloem met spoor. De rozet is klein en gaat in het lage struweel gemakkelijk schuil; het beste herkenningspunt in het veld is het natte, glanzende oppervlak van het blad, dat zich onderscheidt van de matte, harde bladeren van vrijwel alle struweelplanten eromheen. De bloemsteel komt maar weinig boven de rozet uit, zodat de bloem vlak boven de natte bodem staat. Ook die steel is met klierharen bezet, iets wat met een loep goed te zien is en wat de plant van kiemende grasjes onderscheidt.
Gelijkende soorten
In hetzelfde gebied staan nauw verwante vetbladen, waaronder Pinguicula jaraguana, die deels dezelfde beken bewoont maar hoger, rond zeshonderd meter, is verzameld, en P. infundibuliformis, die uit nevelbos op het plateau bij Mina Iberia komt. Zonder bloem zijn deze soorten niet met zekerheid te scheiden. In de praktijk betekent dat: noteer de exacte hoogte, de beek en de vegetatie, en fotografeer de bloem van opzij. De determinatie hoort daarna bij iemand met de beschrijvingen in de hand.
De val en hoe hij werkt
Als lijmvanger is de soort standaard: gesteelde klieren met een kleefdruppel, zittende klieren die pas enzymen afgeven als er een prooi op rust, en een bladrand die langzaam naar de prooi toe rolt zodat het vocht in een ondiepe kom blijft. Langs een beek in open struweel is het aanbod groot en constant — dansmuggen en steltmuggen zwermen er het hele jaar boven het water. Omdat het serpentijn vrijwel geen opneembare stikstof en fosfor levert, is die vangst hier geen aanvulling maar de belangrijkste voedingsbron.
Standplaats en ecologie
Serpentijnstruweel langs beekoevers: zo kort en precies staat het op de etiketten. De planten zitten op de permanent natte strook waar de beek het struweel raakt, op kale rots en op dunne, doorweekte bodem. Serpentijn betekent veel magnesium, nikkel en chroom en weinig calcium, stikstof en fosfor — voor de meeste planten giftig, maar voor een vleeseter een kans, want hij haalt zijn mineralen toch al uit insecten. De geëtiketteerde vondsten liggen rond vijfhonderd meter.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Cuba en beperkt tot het Moa–Baracoa-massief in de provincies Holguín en Guantánamo: de cuchillas de Moa bij Mina Mercedita, de bovenloop van de río Jiguaní, de Sierra de Moa bij La Melba, en in Guantánamo het gebied Palenque langs de arroyo Frijol. Dat is een netwerk van beekdalen binnen één bergland, en dus een klein en onvervangbaar areaal. Het gebied herbergt tegelijk een groot deel van de Cubaanse serpentijnendemieën en de grootste nikkelmijnen van het land.
- Inheems
Vormen en variatie
Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Zoals bij vrijwel alle vetbladen van dit massief is de variatiebreedte nog niet goed onderzocht: de bekende populaties liggen verspreid over verschillende beken, en recent werk aan verwante soorten heeft laten zien dat wat als één soort gold, uiteen kan vallen. Wat in het veld het meest opvalt, is het verschil in grootte tussen rozetten op de permanent natte rots en die op oeverbodem die tussen buien door opdroogt. Het serpentijnlandschap van Moa is bovendien allesbehalve uniform: de ene beek snijdt door kaal gesteente, de andere door een dikkere laag verweringsbodem, en zulke verschillen vertalen zich in groeisnelheid en grootte van de planten.
Waar en wanneer te zien
Loop langs de beek, met je blik op de waterlijn. Zoek op natte rotsplaten, op sijpelende oeverwanden en op de mosrand waar het water bij hoog debiet tegenaan slaat. Strijklicht in de ochtend maakt het klierdek zichtbaar en verraadt hele groepjes tegelijk. Het gehele gebied is óf beschermd natuurgebied óf mijnconcessie; ga met een gids, houd je aan de toegangsregels en laat de planten staan. Verzamelen levert in dit gezelschap niets op wat een goede foto niet ook doet.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Oost-Cubaanse endeem van een handvol beken op serpentijn in de streek waar de grootste nikkelwinning van Cuba plaatsvindt. Voor een plant die volledig van de oeverstrook van een beek afhangt, zijn afgraving, wegaanleg, sedimentaanvoer en veranderende waterafvoer geen theoretische bedreigingen. Dat er nog geen internationale categorie is, komt doordat niemand de toetsing heeft uitgevoerd, niet doordat de situatie gerust zou stellen. Het gunstige nieuws is dat een deel van de vindplaatsen binnen beschermd gebied valt en dat het onherbergzame terrein de betreding vanzelf beperkt.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula moaensis | Casper, 2019
Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2019, in Englera 35: 1–126, op basis van materiaal dat op 25 februari 1979 verzameld werd. De typelocatie ligt in de gemeente Moa, Sierra de Moa, La Melba, langs het beekje Jaragua, in de provincie Holguín, Cuba. De naam "moaensis" verwijst naar de vindplaats: de gemeente Moa en het gebergte Sierra de Moa in het oosten van Cuba.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.