Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula mirandae

Pinguicula mirandae

Een klein vetblad uit een van de droogste streken van Mexico: het Tehuacán-Cuicatlán-dal in Oaxaca, een halfwoestijn vol zuilcactussen en agaves. Dat er in zo'n landschap een vleesetende plant leeft, verbaast pas minder als je ziet waar hij precies staat — in de schaduw onder struiken, in kalkgruis en rotsspleten, op de weinige plekken waar na de regens vocht blijft hangen. Pinguicula mirandae is genoemd naar de botanicus Faustino Miranda.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

De winterrozet is opvallend: een dicht knopje van (30)40 tot 60 kleine, vlezige, spatelvormige tot langwerpig spatelvormige blaadjes van (7)10 tot 20(26) mm lang en (2,5)3 tot 6 mm breed. De zomerrozet bestaat uit veel minder bladeren — (4)6 tot 8(10) — die dun en omgekeerd eirond-spatelvormig zijn, 20 tot 40 mm lang en 14 tot 32 mm breed, met de gebruikelijke glinsterende klierdruppels. De bloemstelen worden 80 tot 100 mm hoog. De bloem is klein, 9 tot 17 mm inclusief het spoor, en wit, witviolet of blauwviolet; het spoor is (2)3 tot 4 mm. Kenmerkend is de bloembuis, die halverwege sterk is geknikt en een hoek van ongeveer negentig graden maakt — een determinatiekenmerk dat met een zijaanzicht van de bloem meteen is vast te stellen.

Gelijkende soorten

De nauwste verwant is Pinguicula conzattii uit de Mixteca, eveneens uit Oaxaca en eveneens uit de sectie Heterophyllum, met dezelfde geknikte bloembuis en een winterrozet van talrijke blaadjes. Die soort staat echter veel hoger, rond 2400 m in nevelwoud, heeft een grotere bloem van 18 tot 30 mm en heeft winterblaadjes die aan beide zijden behaard zijn; bij P. mirandae zijn ze kaal. In het Tehuacán-Cuicatlán-gebied zelf zijn er geen andere kleine vetbladen die verwarring veroorzaken; de grootbloemige soorten uit het P. moranensis-complex staan hier niet.

De val en hoe hij werkt

De dunne zomerbladeren dragen een lijmval van het gebruikelijke type: gesteelde klieren met een kleefdruppel, zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er iets op het blad ligt, en een bladrand die zich langzaam over de vangst buigt. Wat deze soort bijzonder maakt, is de timing. In een halfwoestijn is de periode waarin een dun, kleverig blad kan functioneren kort, en de plant heeft haar hele vangseizoen in de regenmaanden geconcentreerd. De bloei valt daarentegen in december, in de droge tijd, wanneer de vlezige winterrozet de dienst uitmaakt. Vangen en bloeien zijn hier dus in de tijd gescheiden.

Standplaats en ecologie

Beschaduwde rotshellingen en vochtige oeverstroken in droog tropisch loofbos, tussen ongeveer 1250 en 1800 m hoogte. De planten groeien onder struiken in licht geërodeerde kalkgronden of in spleten van kalkrotsen (R2), en langs de randen van seizoensbeken waar na de regens langer vocht blijft staan (W7). Het omringende landschap is seizoensdroog tot in het extreme (D4): maandenlang valt er geen druppel, en alleen de schaduw van struiken en de warmtebuffer van de rotsspleet maken het mogelijk dat een plant met kleverige bladeren hier bestaat. De vlezige winterrozet is het antwoord op die droogte.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de Mexicaanse staat Oaxaca, in het Tehuacán-Cuicatlán-dal; het typemateriaal komt uit het district Teotitlán, gemeente Santa María Ixcatlán, tussen Río Seco en Río Santiago. Dat komt overeen met de opgave in onze soortenlijst. Het gebied is een van de belangrijkste centra van plantenendemisme van Mexico en staat sinds enkele jaren als biosfeerreservaat op de werelderfgoedlijst, wat voor deze soort gunstig is. Het bekende areaal blijft echter klein en versnipperd, verdeeld over afzonderlijke kalkmassieven en ravijnen in een verder onherbergzaam landschap.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. Wel is de bloemkleur opvallend variabel voor een soort met zo'n klein areaal: de beschrijving noemt wit, witviolet en blauwviolet naast elkaar, en ook de bloemgrootte loopt bijna van enkel tot dubbel (9 tot 17 mm). Zulke variatie binnen één populatie is bij zelfbestuivende of gedeeltelijk zelfbestuivende soorten niet ongewoon en is hier niet als aparte vorm benoemd — terecht, want er is geen aanwijzing dat de kleurvormen geografisch gescheiden zijn. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld; er groeien geen nauwe verwanten in de buurt.

Waar en wanneer te zien

December is de maand, want dan bloeit de soort — maar wees erop voorbereid dat de plant er op zijn kleinst uitziet: de bloemen staan boven een compact winterknopje van nog geen twee centimeter. Zoek in de schaduw onder struiken en in kalkspleten op noordhellingen, en langs de droge beddingen van seizoensbeken, tussen ruwweg 1250 en 1800 m. De witte tot blauwviolette bloempjes op stelen van acht tot tien centimeter zijn het enige wat van een afstand opvalt. Ga langzaam en systematisch te werk, en let op: in dit landschap groeit de plant vaak tussen cactussen en doornstruiken, dus kijk waar je je handen zet.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is een soort met een klein, versnipperd areaal in het Tehuacán-Cuicatlán-gebied, gebonden aan de vochtigste microplekken van een halfwoestijn. Gunstig is dat een groot deel van dat gebied als biosfeerreservaat is beschermd en dat de standplaatsen — steile kalkhellingen en ravijnen — weinig aantrekkelijk zijn voor landbouw. Ongunstig zijn overbegrazing door geiten, die juist de struikschaduw wegnemen waarvan de plant afhankelijk is, en het onttrekken van water aan de seizoensbeken. Zonder formele toetsing is er geen categorie; het dossier is dun maar niet alarmerend.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula mirandae | Zamudio & Salinas, 1996

Beschreven door Sergio Zamudio en Antonio Salinas T. in 1996, in het artikel "Una nueva especie de Pinguicula (Lentibulariaceae) del Estado de Oaxaca, México", Acta Botánica Mexicana 37: 39–44. De typelocatie ligt in de Mexicaanse staat Oaxaca, district Teotitlán, gemeente Santa María Ixcatlán, in het gebied tussen Rio Seco en Rio Santiago. Wie precies met de soortnaam wordt geeerd, kon niet met zekerheid worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.