Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula oblongiloba
Pinguicula oblongiloba
Een grootbladig vetblad van het westelijke Mexicaanse hoogland, dat de droge tijd doorbrengt als een knop onder de grond en pas met de regens weer tevoorschijn komt. Pinguicula oblongiloba draagt een van de oudere namen in het geslacht — De Candolle beschreef hem in 1844 — en dankt die naam aan de langwerpige slippen van de kroon.

Herkenning
In de droge tijd is er bovengronds niets: de plant zit als een door substraat bedekte winterrozet of knop vlak onder de oppervlakte. In de regentijd ontvouwt zich een rozet van grote, elliptische tot bijna ronde bladeren met een duidelijk afgezette bladsteel, vlak uitgespreid en kleverig. De bloem is violetpurper en diep tweelippig, met langwerpige slippen en een zeer korte, breed trechtervormige kroonbuis; de spoor is langer dan buis en lippen samen. In de literatuur worden voor de soort bloemen opgegeven van ruwweg twee en een halve tot tien centimeter inclusief spoor, wat een grote spreiding is en waarschijnlijk samenhangt met de brede opvatting van de soort in oudere bronnen. De winterrozet ligt zo laag en is zo sterk met gruis en strooisel bedekt dat zij in het veld vaak volledig aan het oog onttrokken is; de plant markeert haar aanwezigheid pas weer wanneer de eerste zomerbladeren door het strooisel heen komen. Dat maakt de soort in de droge helft van het jaar praktisch onvindbaar.
Gelijkende soorten
De nauwste verwant is Pinguicula macrophylla, die eveneens grote bladeren met afgezette bladsteel en een lange spoor heeft; die soort komt verder naar het oosten voor, in het centrale hoogland. P. moranensis is algemener en heeft een andere bladvorm. Omdat de groep in oudere literatuur ruim is opgevat en de namen door elkaar zijn gebruikt, is determinatie op foto's onbetrouwbaar; wie zekerheid wil, moet naar de vindplaats en de bloemmaten samen kijken. Recent beschreven westelijke soorten hebben bovendien materiaal uit deze groep afgesplitst.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die maar een deel van het jaar bestaat. De grote, vlakke zomerbladeren dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt; de bladrand rolt zich traag naar binnen zodat het vocht in een ondiepe kom blijft. Omdat het blad breed is en de plant laag bij de grond in bosvegetatie ligt, bestaat de vangst vooral uit kleine tweevleugeligen, mieren en ander kruipend spul uit de strooisellaag. Buiten het regenseizoen, als ondergrondse knop, vangt de plant niets. Het vangseizoen valt bij deze soort volledig samen met de bloei en de zaadzetting, wat betekent dat de opbrengst van enkele maanden vangen rechtstreeks in de ondergrondse knop en in het zaad terechtkomt. Wie in oktober een blad bekijkt, ziet die rekening: het oppervlak ligt dan vol donkere resten.
Standplaats en ecologie
Rotsige berghellingen en open plekken in dennen- en eikenbos van het westelijke hoogland, op kalkhoudende tot neutrale bodem met een dunne humuslaag (B5, R2). Waarnemingen uit Michoacán plaatsen de soort rond vijfentwintighonderd meter, hoog boven de dalen; het klimaat is koel, met vorst in de winter en een uitgesproken zomerregentijd. De plant staat niet op wandrots maar in mos, gruis en humus tussen rotsblokken en aan de voet van bomen. De ondergrondse knop maakt haar bestand tegen bosbranden en tegen maanden zonder regen.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Mexico, met vindplaatsen in het westelijke en centrale hoogland: Michoacán, met opgaven uit Jalisco, Aguascalientes en aangrenzende deelstaten. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico', wat gezien de onduidelijke soortgrenzen verdedigbaar is; de gepubliceerde populaties liggen in het westen van het land. Het gaat om losse bergpopulaties in verschillende massieven, gescheiden door warme dalen waar de soort ontbreekt.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. De opvallendste variatie is de bloemmaat, die in de literatuur een zeer ruime spreiding krijgt; dat komt waarschijnlijk doordat de naam in oudere bronnen op planten uit verschillende populaties en verwante soorten is toegepast. Binnen één populatie is de variatie beperkt tot bladgrootte en de verzadiging van de bloemkleur, en die hangen samen met bezonning en met de hoeveelheid zomerregen. Recent werk uit westelijk Mexico heeft delen van dit complex als aparte soorten beschreven, wat de begrenzing verder zal aanscherpen.
Waar en wanneer te zien
Ga in de regentijd, van juli tot september, want dan is de plant er überhaupt: in de droge maanden zit ze onder de grond en valt er niets te zoeken. Loop hellingen in dennen- en eikenbos af op zoek naar de grote, glanzende bladeren tussen mos en strooisel; die zijn opvallender dan de bloem. Zoek in de luwte van rotsblokken en op plekken waar de bodem in de regentijd vochtig blijft. Graaf niet naar de knop, en laat het strooisel liggen: de plant zit vlak onder de oppervlakte.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Van deze soort is opvallend weinig bekend voor een taxon dat al sinds 1844 een naam draagt: er is nauwelijks recent, gericht veldwerk, de soortgrenzen zijn in beweging, en populatiegegevens ontbreken. De omgeving spreekt wel voor zich: dennen- en eikenbos in westelijk Mexico staat onder druk van houtkap, begrazing en branden. Zolang niet vaststaat welke populaties tot deze soort behoren, is een zinvolle beoordeling niet te maken — dat is hier de eerste stap.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula oblongiloba | de Candolle, 1844
Beschreven door Alphonse de Candolle in 1844, in Prodromus 8: 27. De soort komt voor in Mexico; de precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam komt van het Latijn oblongus (langwerpig) en lobus (lob), en verwijst vermoedelijk naar de vorm van de kroonbladlobben.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.