Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula macrophylla

Pinguicula macrophylla

Een van de oudste namen in het Mexicaanse deel van dit geslacht: Pinguicula macrophylla werd al in 1817 door Kunth beschreven, naar materiaal dat Humboldt en Bonpland op hun reis door Nieuw-Spanje hadden verzameld. Zoals de naam belooft gaat het om een grootbladige soort — een forse rozet van het koele eikenbos in het hoogland van centraal Mexico.

Pinguicula macrophylla
Foto: Edgar Pedro Méndez Vázquez — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

In de droge tijd trekt de plant zich terug in een echte ondergrondse knop met kleine, lancetvormige blaadjes; bovengronds is er dan niets te zien. Met de regens verschijnt de zomerrozet: eironde tot elliptische bladeren van 35 tot 90 mm lang en 25 tot 70 mm breed, met een duidelijk afgezette bladsteel, vlak uitgespreid en met een dicht klierdek. Per plant komen één tot drie, soms vijf bloemstelen van 16 tot 20 cm, uitzonderlijk 23 cm. De bloem is violetpurper en 35 tot 55 mm lang inclusief de cilindrische, gebogen spoor van 23 tot 28 mm. Bloei valt in de zomer, tegelijk met of kort na het uitlopen van de zomerbladeren.

Gelijkende soorten

Pinguicula acuminata, waarmee de soort geregeld is verward, heeft een veel kleinere, bleke bloem met een spoor van hooguit vijf millimeter, en bloeit in het vroege voorjaar uit de winterrozet in plaats van in de zomer. P. moranensis heeft een vergelijkbaar grote bloem maar een andere bladvorm en een veel ruimere verspreiding. P. oblongiloba staat er dicht bij, met eveneens grote bladeren met duidelijke bladsteel; die soort komt verder naar het westen voor. Vanwege de historische verwarring verdienen oude opgaven van P. macrophylla altijd controle.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een breed blad met een afgezette steel, zodat de bladschijf tamelijk vlak op de bodem of op het mos ligt. De gesteelde klieren houden de prooi vast; de zittende klieren daartussen leveren verteringsenzymen zodra er contact is, en de bladrand rolt zich traag naar de prooi toe zodat het vocht in een ondiepe kom blijft. In een vochtig eikenbos is de aanvoer van kleine tweevleugeligen ruim. Buiten het regenseizoen, wanneer alleen de ondergrondse knop over is, vangt de plant niets: het vangseizoen valt volledig samen met de regens.

Standplaats en ecologie

Koel hoogland in de eikengordel, met soorten als Quercus rugulosa en Q. hartwegii, waar de planten in vochtige, mossige plekken tussen rotsen en boomvoeten groeien (B5, R2). Begeleiders zijn onder meer Agave celsii en kleine kruiden van de bosbodem. De ondergrond is kalkhoudend tot neutraal; de plant staat niet op wandrots maar in de dunne humus- en mosbedekking daarop. De hoogteligging is ruwweg tweeduizend tot achtentwintighonderd meter, met droge winters en een uitgesproken zomerregentijd.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico. De gepubliceerde vindplaatsen liggen in het centrale hoogland, onder meer in het gebied tussen Guanajuato en Santa Rosa, in San Luis Potosí en in Hidalgo bij Real del Monte, al berust die laatste opgave volgens sommige auteurs op verwarring met P. acuminata. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico', wat hier verdedigbaar is: de precieze omgrenzing van het areaal is door de historische naamsverwarring niet scherp. Duidelijk is dat het om het centrale bergland gaat.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 48 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. De variatie binnen de soort betreft vooral de grootte van de zomerbladeren — de opgaven lopen van drieënhalf tot negen centimeter — en de intensiteit van de violetpurperen bloemkleur. Beide hangen samen met standplaats en met de hoeveelheid zomerregen. Belangrijker dan de variatie is de verwarring met verwanten: een aanzienlijk deel van wat in oudere literatuur en herbaria als P. macrophylla staat, blijkt bij nader inzien tot andere soorten te behoren, en dat vertroebelt het beeld van zowel de verspreiding als de variatiebreedte.

Waar en wanneer te zien

Ga in de regentijd, van juli tot september: dan staan de grote bladeren uitgespreid en de violette bloemen op hun lange stelen erboven. In de droge maanden is er niets te vinden, want de plant zit als knop onder de grond. Zoek op mossige plekken in het eikenbos, aan de voet van rotsblokken en langs beschaduwde taluds. De rozet is groot genoeg om vanaf sta-hoogte op te vallen, wat deze soort tot een van de gemakkelijkere van de groep maakt. Graaf niet: de knop zit ondiep en gaat bij verstoring verloren.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Voor deze soort speelt een extra probleem: doordat de naam in het verleden op planten van verschillende soorten is toegepast, is niet eens helemaal duidelijk hoe groot het werkelijke areaal is. Wat wel vaststaat, is dat het koele eikenbos in het centrale Mexicaanse hoogland sterk is teruggedrongen door houtkap, begrazing en omzetting naar landbouw, en dat de soort van dat bostype afhankelijk is. Een beoordeling zou hier niet kunnen beginnen zonder eerst de taxonomie op orde te brengen.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula macrophylla | Kunth, 1817

Beschreven door Alexander von Humboldt, Aimé Bonpland en Carl Sigismund Kunth in 1817, in Nova Genera et Species Plantarum 2: 184. De oorspronkelijke beschrijving noemt een vindplaats bij Real del Monte, in de Mexicaanse staat Hidalgo; latere botanici (Zamudio, Lührs) betwijfelen echter of dat materiaal niet eigenlijk P. acuminata betreft. De naam komt van het Latijn/Grieks macro- (groot) en phylla (blad), en verwijst naar de opvallend grote bladeren van deze soort in vergelijking met verwante soorten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.