Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula orchidioides

Pinguicula orchidioides

Een van de klassieke namen uit de Mexicaanse vetbladliteratuur, en tegelijk een van de meest verwarde. Pinguicula orchidioides werd in 1844 door De Candolle beschreven en is decennialang op planten uit heel Mexico toegepast voordat Zamudio de soort in de jaren negentig opnieuw afbakende. Het is een plant van dennen-eikenbossen hoog in het zuiden van het land, met een grote violette bloem op een lange steel.

Pinguicula orchidioides
Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula orchidioides — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula orchidioides — de bloem
De bloem · Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

In de droge tijd overwintert de plant als een ondergrondse knop. In de regentijd verschijnt de zomerrozet met bladeren van 20 tot 46 mm lang en 6 tot 18 mm breed, vlak uitgespreid en kleverig. De bloemstelen zijn lang voor de plantgrootte: 7 tot 22 cm. De bloem meet 30 tot 48 mm inclusief de spoor en is violetpurper; de spoor is slank en 18 tot 26 mm lang, dus ongeveer even lang als de rest van de bloem. Bloeitijd juli tot september, samen met de zomerregens. Een bloeiende plant met een enkele grote bloem hoog boven een bescheiden rozet is het typische beeld. De onderlip is bij deze soort duidelijk drielobbig met vrij smalle, van elkaar gescheiden slippen, wat de bloem een ijle, bijna orchideeachtige indruk geeft — de soortnaam verwijst daar rechtstreeks naar. Na de bloei blijft een rechtopstaande doosvrucht op de lange steel achter, die zich pas opent als de regens ophouden.

Gelijkende soorten

De verwarring zit vooral bij Pinguicula moranensis, die in hetzelfde gebergte staat en eveneens een grote violette bloem met een lange spoor heeft; die soort is doorgaans forser van blad en heeft een andere vorm van de onderlip. P. macrophylla en P. oblongiloba hebben duidelijk grotere bladeren met afgezette bladsteel. Omdat de naam orchidioides in oudere literatuur ruim is gebruikt, zijn determinaties op grond van oude bronnen onbetrouwbaar; voor zekerheid moeten bloemmaten, bladvorm en vindplaats samen worden bekeken.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een vlak blad, actief in het regenseizoen wanneer de zomerrozet is uitgelopen. De gesteelde klieren houden de prooi vast met een kleverige druppel en de zittende klieren daartussen leveren verteringsenzymen zodra er contact is; de bladrand rolt zich traag over de prooi heen zodat het vocht in een ondiepe kom blijft staan. De plant ligt laag in de kruidlaag van een dennen-eikenbos en vangt daar vooral kleine tweevleugeligen en mieren. In de droge maanden, als ondergrondse knop, vangt zij niets. De lange bloemsteel houdt de bloem ver van het kleverige blad vandaan, en dat is geen toeval: een plant die insecten vangt en tegelijk insecten als bestuiver nodig heeft, moet die twee functies ruimtelijk scheiden. Bij deze soort is de afstand tussen val en bloem, ruim twintig centimeter, een van de grootste van het geslacht in Mexico.

Standplaats en ecologie

Vochtige hellingen, taluds en bermkanten in dennen-eikenbos, op roodbruine tot bruine klei- of zandige kleibodem (B5, D4). De hoogteligging is groot, van tweeduizend tot tweeëntwintighonderd meter en plaatselijk tot drieduizend, wat betekent dat de soort in koele, in de winter droge bergbossen staat. Zij groeit niet op rots maar in bodem, en is voor het overleven van de droge tijd aangewezen op haar ondergrondse knop. Open, wat verstoorde plekken langs paden en bermen zijn vaak de beste standplaatsen omdat de concurrentie daar laag is.

Verspreiding en hoogte

Zuidelijk Mexico — Oaxaca en Guerrero — en daarnaast het departement Sololá in Guatemala. De soort is dus niet endemisch voor Mexico. Onze soortenlijst vermeldt alleen 'Mexico'; de gepubliceerde verspreiding reikt verder, tot in het Guatemalteekse hoogland. Het gaat om losse bergpopulaties in verschillende massieven, gescheiden door lager en warmer land. Oudere opgaven uit andere delen van Mexico berusten grotendeels op de ruime toepassing van de naam in het verleden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 8 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. Binnen de soort verschilt vooral de bloemgrootte, die van drie tot bijna vijf centimeter loopt, en de intensiteit van de violetpurperen kleur. Een deel van de gerapporteerde variatie komt echter voort uit de historische naamsverwarring: planten van verschillende soorten zijn lange tijd onder deze naam samengebracht, en wat daarvan in oudere beschrijvingen is terechtgekomen, vertekent het beeld van de werkelijke spreiding. Natuurlijke kruisingen met P. moranensis zijn uit het gebied gemeld.

Waar en wanneer te zien

Ga in de regentijd, van juli tot september: dan bloeit de soort en staan de grote violette bloemen hoog boven de kruidlaag, van ver zichtbaar. Zoek langs paden en bermen in dennen-eikenbos, op vochtige, iets open plekken waar de bodem in de regentijd nat blijft. In de droge maanden is er niets te vinden. Let erop dat er in hetzelfde bos vaak andere grootbloemige vetbladen staan; fotografeer de bloem van opzij, zodat de spoorlengte te meten is, en noteer de bladvorm.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. De verspreiding over twee landen en meerdere bergmassieven oogt op het eerste gezicht ruim, maar door de historische naamsverwarring is niet met zekerheid vast te stellen hoeveel van de opgaven werkelijk deze soort betreffen. Het dennen-eikenbos in zuidelijk Mexico en het Guatemalteekse hoogland wordt snel omgezet naar landbouw en lijdt onder begrazing en branden. Populatiecijfers ontbreken. Een beoordeling zou hier alleen zin hebben na een kritische herziening van het herbariummateriaal.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula orchidioides | de Candolle, 1844

Beschreven door Alphonse de Candolle in 1844, op basis van materiaal dat G. Andrieux in de Mexicaanse staten Oaxaca, Puebla en Mexico verzamelde. De Candolle plaatste de soort in de door hem nieuw opgerichte sectie Orcheosanthus. Na een verkeerde determinatie door William Jackson Hooker in Kew in 1846 werd de naam lang als synoniem van een andere soort beschouwd, totdat Sergio Zamudio de oorspronkelijke identiteit in 1998 herstelde. Het typemateriaal is afkomstig uit de Mexicaanse staten Oaxaca, Puebla en Mexico (staat). De naam "orchidioides" (orchidee-achtig) verwijst naar de sierlijke, orchidee-achtige bloemen: een paarse, diep tweelippige kroon met vijf ongeveer gelijke lobben, een korte bloembuis en een lange spoor.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.